Naar de inhoud

bezeren

zich ~: zich pijn doen

bezeren

werkwoord

Betekenis

  1. zich ~: zich pijn doen
  2. letsel toebrengen aan een lichaamsdeel

Vervoeging van bezeren

bezerenhele werkwoord — bezeerdeverleden tijd enkelvoud — bezeerdenverleden tijd meervoud — bezeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bezeer bezeerde
jij bezeert bezeerde
hij, zij, het bezeert bezeerde
wij bezeren bezeerden
jullie bezeren bezeerden
zij bezeren bezeerden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben bezeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent bezeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bezeer gebiedende wijs
bezeer me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
bezeer u/je , bezeert je gebiedende wijs
bezeerd verleden tijd, deelwoord
bezeerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bezeerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bezeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bezeerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
bezeerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bezeerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
bezeerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
bezeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bezeerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
bezeerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bezeerde verleden tijd
bezeerde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
bezeerde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
bezeerde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
bezeerde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
bezeerde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
bezeerde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
bezeerde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
bezeerden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
bezeerden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
bezeerden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
bezeert je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
bezeert u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
bezeert u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bezeert zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
bezeert zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
bezeert zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bezere aanvoegende wijs
bezere zich aanvoegende wijs
bezeren je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bezeren ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bezeren zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bezerend onvoltooid, deelwoord
er is bezeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was bezeerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd bezeerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt bezeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal bezeerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal bezeerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou bezeerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou bezeerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had bezeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had bezeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had bezeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden bezeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden bezeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden bezeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt bezeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb bezeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bezeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben bezeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bezeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben bezeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt bezeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bezeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bezeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is bezeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is bezeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te bezeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben bezeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bezeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart bezeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren bezeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren bezeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren bezeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was bezeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was bezeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was bezeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd bezeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd bezeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd bezeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden bezeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden bezeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden bezeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt bezeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word bezeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden bezeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden bezeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden bezeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt bezeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt bezeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal bezeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bezeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal bezeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bezeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bezeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal bezeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bezeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bezeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bezeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bezeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal me bezeren eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich bezeren derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je bezeren tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich bezeerd hebben verleden tijd
zich bezerend onvoltooid, deelwoord
zijn bezeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn bezeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn bezeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt bezeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou bezeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bezeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bezeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bezeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bezeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou bezeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bezeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bezeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bezeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bezeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bezeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bezeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden bezeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bezeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bezeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bezeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bezeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bezeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bezeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bezeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bezeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bezeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bezeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bezeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt bezeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bezeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bezeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bezeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen bezeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bezeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bezeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bezeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘zeer doen’ voor het eerst aangetroffen in 1480

Woordfamilie van bezeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bezeer gebiedende wijs bezeren
bezeerd voltooid deelwoord bezeren
bezeerde verleden tijd bezeren
bezeerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon bezeren
bezeert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon bezeren
bezere aanvoegende wijs bezeren
bezerend onvoltooid deelwoord bezeren
bezerende woordvorm bezeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bezeren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over bezeren

Wat is de betekenis van bezeren?
Bezeren is een werkwoord. De betekenis is: zich ~: zich pijn doen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik bezeren?
Zo vervoeg je bezeren zo: de tegenwoordige tijd is bezeer, de verleden tijd is bezeerde en het voltooid deelwoord is bezeerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bezeren is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. E 1
  3. Z 4
  4. E 1
  5. R 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bezeren levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 115 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. E 1
  3. Z 5
  4. E 1
  5. R 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 15 zonder bonus
  9. 115 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

bezeren telt 7 letters, waarvan 5 verschillende, want 2 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

bezeren in het kort

bezeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van bezeren staan er 103 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort bezeren bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

bezeren: zich ~: zich pijn doen
Deel bezeren — standaardnederlands.nl