bezeren
werkwoordBetekenis
- zich ~: zich pijn doen
- letsel toebrengen aan een lichaamsdeel
Vervoeging van bezeren
bezerenhele werkwoord — bezeerdeverleden tijd enkelvoud — bezeerdenverleden tijd meervoud — bezeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bezeer | bezeerde |
| jij | bezeert | bezeerde |
| hij, zij, het | bezeert | bezeerde |
| wij | bezeren | bezeerden |
| jullie | bezeren | bezeerden |
| zij | bezeren | bezeerden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben bezeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bezeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bezeer | gebiedende wijs |
| bezeer me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bezeer u/je , bezeert je | gebiedende wijs |
| bezeerd | verleden tijd, deelwoord |
| bezeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bezeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bezeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bezeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bezeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bezeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bezeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bezeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bezeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bezeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bezeerde | verleden tijd |
| bezeerde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bezeerde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bezeerde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| bezeerde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bezeerde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bezeerde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| bezeerde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bezeerden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bezeerden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| bezeerden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| bezeert je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bezeert u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bezeert u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bezeert zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bezeert zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bezeert zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bezere | aanvoegende wijs |
| bezere zich | aanvoegende wijs |
| bezeren je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bezeren ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bezeren zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bezerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is bezeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was bezeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd bezeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt bezeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal bezeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal bezeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou bezeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou bezeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bezeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bezeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bezeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bezeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bezeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bezeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bezeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bezeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bezeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bezeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bezeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bezeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bezeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bezeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bezeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is bezeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bezeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bezeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bezeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bezeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bezeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bezeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bezeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bezeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bezeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bezeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bezeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd bezeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd bezeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd bezeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden bezeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden bezeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden bezeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt bezeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word bezeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden bezeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden bezeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden bezeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt bezeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt bezeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bezeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bezeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bezeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bezeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bezeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal bezeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bezeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bezeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bezeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bezeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal me bezeren | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich bezeren | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je bezeren | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich bezeerd hebben | verleden tijd |
| zich bezerend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn bezeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bezeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bezeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bezeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bezeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bezeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bezeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bezeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bezeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou bezeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bezeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bezeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bezeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bezeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bezeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bezeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden bezeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bezeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bezeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bezeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bezeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bezeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bezeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bezeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bezeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bezeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bezeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bezeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt bezeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bezeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bezeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bezeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen bezeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bezeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bezeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bezeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘zeer doen’ voor het eerst aangetroffen in 1480
Woordfamilie van bezeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bezeer | gebiedende wijs | bezeren |
| bezeerd | voltooid deelwoord | bezeren |
| bezeerde | verleden tijd | bezeren |
| bezeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bezeren |
| bezeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bezeren |
| bezere | aanvoegende wijs | bezeren |
| bezerend | onvoltooid deelwoord | bezeren |
| bezerende | woordvorm | bezeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bezeren zijn vastgelegd.