bezegelen
werkwoordBetekenis
- een zegel aanbrengen op
- bekrachtigen
Vervoeging van bezegelen
bezegelenhele werkwoord — bezegeldeverleden tijd enkelvoud — bezegeldenverleden tijd meervoud — bezegeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bezegel | bezegelde |
| jij | bezegelt | bezegelde |
| hij, zij, het | bezegelt | bezegelde |
| wij | bezegelen | bezegelden |
| jullie | bezegelen | bezegelden |
| zij | bezegelen | bezegelden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben bezegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bezegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bezegel | gebiedende wijs |
| bezegeld | verleden tijd, deelwoord |
| bezegeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bezegeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bezegeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bezegeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bezegeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bezegeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bezegeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bezegeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bezegeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bezegeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bezegelde | verleden tijd |
| bezegele | aanvoegende wijs |
| bezegelend | onvoltooid, deelwoord |
| er is bezegeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was bezegeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd bezegeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt bezegeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal bezegeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal bezegeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou bezegeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou bezegeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bezegeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bezegeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bezegeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bezegeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bezegeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bezegeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bezegeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bezegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bezegeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bezegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bezegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bezegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bezegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bezegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bezegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is bezegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bezegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bezegelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bezegeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bezegelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bezegeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bezegeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bezegeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bezegeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bezegeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bezegeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bezegeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd bezegeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd bezegeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd bezegeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden bezegeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden bezegeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden bezegeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt bezegeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word bezegeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden bezegeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden bezegeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden bezegeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt bezegeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt bezegeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bezegeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bezegeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bezegeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bezegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bezegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal bezegeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bezegeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bezegelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bezegelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bezegelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn bezegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bezegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bezegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bezegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bezegeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bezegeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bezegeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bezegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bezegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou bezegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bezegeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bezegeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bezegeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bezegelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bezegelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bezegelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden bezegeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bezegeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bezegeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bezegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bezegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bezegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bezegeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bezegeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bezegeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bezegelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bezegelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bezegelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt bezegeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bezegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bezegeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bezegelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen bezegeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bezegeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bezegeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bezegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bezegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bezegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bezegeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bezegeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bezegeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bezegelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bezegelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bezegelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bezegelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult bezegeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bezegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bezegeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bezegelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van zegelen met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van bezegelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bezegel | gebiedende wijs | bezegelen |
| bezegeld | voltooid deelwoord | bezegelen |
| bezegelde | verleden tijd | bezegelen |
| bezegelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bezegelen |
| bezegele | aanvoegende wijs | bezegelen |
| bezegelend | onvoltooid deelwoord | bezegelen |
| bezegelende | woordvorm | bezegelen |
| bezegelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bezegelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bezegelen zijn vastgelegd.