bezatten
werkwoordBetekenis
- zich tot dronkenschap bedrinken
Vervoeging van bezatten
bezattenhele werkwoord — bezatvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bezat | verleden tijd, deelwoord |
| bezat je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bezat me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bezat u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bezat u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bezat u/je , bezat je | gebiedende wijs |
| bezat zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bezat zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bezat zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bezatte | verleden tijd |
| bezatte je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bezatte me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bezatte u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| bezatte u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bezatte zich | aanvoegende wijs |
| bezatte zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bezatte zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| bezatte zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bezatten je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bezatten je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bezatten ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| bezatten ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bezatten zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| bezatten zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| zal me bezatten | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich bezatten | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je bezatten | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich bezat hebben | verleden tijd |
| zich bezattend | onvoltooid, deelwoord |
| zullen je bezatten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons bezatten | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich bezatten | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u bezatten | tweede persoon |
| zult u bezatten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u bezatten | tweede persoon |
| zult zich/u bezatten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van zich bezatten
Vervoeging van bezatten
bezattenhele werkwoord — bezatvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bezat | verleden tijd, deelwoord |
| bezat je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bezat me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bezat u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bezat u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bezat u/je , bezat je | gebiedende wijs |
| bezat zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bezat zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bezat zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bezatte | verleden tijd |
| bezatte je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bezatte me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bezatte u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| bezatte u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bezatte zich | aanvoegende wijs |
| bezatte zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bezatte zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| bezatte zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bezatten je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bezatten je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bezatten ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| bezatten ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bezatten zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| bezatten zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| zal me bezatten | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich bezatten | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je bezatten | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich bezat hebben | verleden tijd |
| zich bezattend | onvoltooid, deelwoord |
| zullen je bezatten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons bezatten | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich bezatten | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u bezatten | tweede persoon |
| zult u bezatten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u bezatten | tweede persoon |
| zult zich/u bezatten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
Afgeleid van zat met het voorvoegsel be- met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van bezatten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bezatte | verleden tijd | bezatten |
| bezattend | woordvorm | bezatten |
| bezattende | woordvorm | bezatten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bezatten zijn vastgelegd.