bevragen
werkwoordBetekenis
- zich ~: inlichtingen vragen
- iemand aan een of meer vragen onderwerpen
Vervoeging van bevragen
bevragenhele werkwoord — bevraagdeªverleden tijd enkelvoud — bevraagdenªverleden tijd meervoud — bevraagdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bevraag | bevraagdeª |
| jij | bevraagt | bevraagdeª |
| hij, zij, het | bevraagt | bevraagdeª |
| wij | bevragen | bevraagdenª |
| jullie | bevragen | bevraagdenª |
| zij | bevragen | bevraagdenª |
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bevraag | gebiedende wijs |
| bevraag me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bevraag u/je , bevraagt je | gebiedende wijs |
| bevraagd | verleden tijd, deelwoord |
| bevraagd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bevraagd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bevraagdenª | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| bevraagdenª | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bevraagdenª | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| bevraagdeª | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bevraagdeª | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| bevraagdeª | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bevraagdeª | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bevraagdeª | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bevraagt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bevraagt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bevraagt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bevraagt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bevraagt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bevraagt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bevrage | aanvoegende wijs |
| bevrage zich | aanvoegende wijs |
| bevragen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bevragen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bevragen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bevragend | onvoltooid, deelwoord |
| bevroeg | verleden tijd |
| bevroeg je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bevroeg me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bevroeg u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| bevroeg u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bevroeg zich | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| bevroeg zich | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bevroeg zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bevroegen je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bevroegen ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| bevroegen zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bevraagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bevraagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bevraagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bevraagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bevraagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bevraagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bevraagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bevraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bevraagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bevraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bevraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bevraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bevraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bevraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bevraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bevragen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bevraagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bevragen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| zal bevraagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bevraagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bevraagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bevragen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bevragen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bevragen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal me bevragen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich bevragen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je bevragen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich bevraagd hebben | verleden tijd |
| zich bevragend | onvoltooid, deelwoord |
| zou bevraagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bevraagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bevraagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bevragen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bevragen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bevragen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden bevraagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bevraagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bevraagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bevragen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bevragen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bevragen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt bevraagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bevragen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen bevraagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bevraagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bevraagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bevragen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bevragen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bevragen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bevragen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen je bevragen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons bevragen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich bevragen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult bevraagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bevragen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult u bevragen | tweede persoon |
| zult u bevragen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u bevragen | tweede persoon |
| zult zich/u bevragen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
afgeleid van vragen met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van bevragen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bevraag | gebiedende wijs | bevragen |
| bevraagd | voltooid deelwoord | bevragen |
| bevraagde | woordvorm | bevragen |
| bevraagt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bevragen |
| bevrage | aanvoegende wijs | bevragen |
| bevragend | onvoltooid deelwoord | bevragen |
| bevragende | woordvorm | bevragen |
| bevroeg | verleden tijd | bevragen |
| bevroegen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bevragen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bevragen zijn vastgelegd.