betegelen
werkwoord bəˈteɣələ(n)Betekenis
- een vloer of wand van tegels voorzien
Hoe spreek je betegelen uit?
/bəˈtexələn/
Betegelen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| t | tak |
| e | veel |
| x | acht |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van betegelen
betegelenhele werkwoord — betegeldeverleden tijd enkelvoud — betegeldenverleden tijd meervoud — betegeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | betegel | betegelde |
| jij | betegelt | betegelde |
| hij, zij, het | betegelt | betegelde |
| wij | betegelen | betegelden |
| jullie | betegelen | betegelden |
| zij | betegelen | betegelden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben betegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent betegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| betegel | gebiedende wijs |
| betegeld | verleden tijd, deelwoord |
| betegeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| betegeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| betegeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| betegeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| betegeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| betegeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| betegeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| betegeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| betegeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| betegeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| betegelde | verleden tijd |
| betegele | aanvoegende wijs |
| betegelend | onvoltooid, deelwoord |
| er is betegeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was betegeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd betegeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt betegeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal betegeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal betegeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou betegeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou betegeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had betegeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had betegeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had betegeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden betegeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden betegeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden betegeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt betegeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb betegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben betegeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben betegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben betegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben betegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt betegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft betegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft betegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is betegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is betegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te betegelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben betegeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen betegelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart betegeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren betegeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren betegeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren betegeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was betegeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was betegeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was betegeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd betegeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd betegeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd betegeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden betegeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden betegeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden betegeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt betegeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word betegeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden betegeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden betegeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden betegeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt betegeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt betegeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal betegeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal betegeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal betegeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal betegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal betegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal betegeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal betegeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal betegelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal betegelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal betegelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn betegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn betegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn betegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt betegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou betegeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou betegeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou betegeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou betegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou betegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou betegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou betegeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou betegeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou betegeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou betegelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou betegelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou betegelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden betegeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden betegeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden betegeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden betegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden betegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden betegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden betegeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden betegeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden betegeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden betegelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden betegelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden betegelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt betegeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt betegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt betegeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt betegelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen betegeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen betegeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen betegeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen betegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen betegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen betegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen betegeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen betegeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen betegeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen betegelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen betegelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen betegelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen betegelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult betegeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult betegeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult betegeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult betegelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van tegel met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van betegelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| betegel | gebiedende wijs | betegelen |
| betegeld | voltooid deelwoord | betegelen |
| betegelde | verleden tijd | betegelen |
| betegelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | betegelen |
| betegele | aanvoegende wijs | betegelen |
| betegelend | onvoltooid deelwoord | betegelen |
| betegelende | woordvorm | betegelen |
| betegelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | betegelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van betegelen zijn vastgelegd.