bestijgen
werkwoordBetekenis
- bovenop iets zien te geraken
- de troon ~ vorst of vorstin worden
- paarden etc. de geslachtsdaad uitvoeren
Vervoeging van bestijgen
bestijgenhele werkwoord — besteegverleden tijd enkelvoud — bestegenverleden tijd meervoud — bestegenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bestijg | besteeg |
| jij | bestijgt | besteeg |
| hij, zij, het | bestijgt | besteeg |
| wij | bestijgen | bestegen |
| jullie | bestijgen | bestegen |
| zij | bestijgen | bestegen |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben bestegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bestegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| besteeg | verleden tijd |
| bestegen | verleden tijd, deelwoord |
| bestegen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bestegen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bestegen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bestegen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bestegen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bestegen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bestegen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bestegen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bestegen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bestegen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bestijg | gebiedende wijs |
| bestijge | aanvoegende wijs |
| bestijgend | onvoltooid, deelwoord |
| er is bestegen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was bestegen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd bestegen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt bestegen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal bestegen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal bestegen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou bestegen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou bestegen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bestegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bestegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bestegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bestegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bestegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bestegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bestegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bestegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bestegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bestegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bestegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bestegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bestegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bestegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bestegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is bestegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bestegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bestijgen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bestegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bestijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bestegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bestegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bestegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bestegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bestegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bestegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bestegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd bestegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd bestegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd bestegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden bestegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden bestegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden bestegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt bestegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word bestegen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden bestegen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden bestegen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden bestegen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt bestegen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt bestegen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bestegen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bestegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bestegen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bestegen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bestegen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal bestegen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bestegen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bestijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bestijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bestijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn bestegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bestegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bestegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bestegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bestegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bestegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bestegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bestegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bestegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou bestegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bestegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bestegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bestegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bestijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bestijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bestijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden bestegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bestegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bestegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bestegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bestegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bestegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bestegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bestegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bestegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bestijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bestijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bestijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt bestegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bestegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bestegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bestijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen bestegen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bestegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bestegen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bestegen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bestegen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bestegen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bestegen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bestegen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bestegen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bestijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bestijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bestijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bestijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult bestegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bestegen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bestegen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bestijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van stijgen met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van bestijgen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| besteeg | verleden tijd | bestijgen |
| bestegen | voltooid deelwoord | bestijgen |
| bestijg | gebiedende wijs | bestijgen |
| bestijge | aanvoegende wijs | bestijgen |
| bestijgend | onvoltooid deelwoord | bestijgen |
| bestijgende | woordvorm | bestijgen |
| bestijgt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bestijgen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bestijgen zijn vastgelegd.