Naar de inhoud

besteken

steken op

besteken

werkwoord

Betekenis

  1. steken op
  2. aanvallen
  3. voorzien
  4. versieren
  5. bepalen
  6. beschenken
  7. omkopen

Vervoeging van besteken

bestekenhele werkwoord — bestakverleden tijd enkelvoud — bestakenverleden tijd meervoud — bestokenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik besteek bestak
jij besteekt bestaakt
hij, zij, het besteekt bestak
wij besteken bestaken
jullie besteken bestaken
zij besteken bestaken
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
bestak verleden tijd
besteek gebiedende wijs
besteke aanvoegende wijs
bestekend onvoltooid, deelwoord
bestoken verleden tijd, deelwoord
bestoken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bestoken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ev. gebiedende wijs
had bestoken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had bestoken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had bestoken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden bestoken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden bestoken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden bestoken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt bestoken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb bestoken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bestoken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben bestoken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bestoken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben bestoken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt bestoken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bestoken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bestoken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te besteken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben bestoken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen besteken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal besteken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal besteken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal besteken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal bestoken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bestoken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal bestoken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou besteken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou besteken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou besteken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou bestoken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bestoken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bestoken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden besteken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden besteken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden besteken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden bestoken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bestoken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bestoken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt besteken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt bestoken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen besteken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen besteken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen besteken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen besteken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen bestoken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bestoken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bestoken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult besteken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult bestoken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van steken met het voorvoegsel be-

Woordfamilie van besteken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bestak verleden tijd besteken
besteek gebiedende wijs besteken
besteekt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon besteken
besteke aanvoegende wijs besteken
bestekend onvoltooid deelwoord besteken
bestekende woordvorm besteken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van besteken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over besteken

Wat betekent besteken?
Besteken is een werkwoord. Het woord betekent: steken op. Deze pagina beschrijft 7 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je besteken?
Je vervoegt besteken als volgt: de tegenwoordige tijd is besteek, de verleden tijd is bestak en het voltooid deelwoord is bestoken. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord besteken is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. E 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. E 1
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

besteken levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. E 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. E 1
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

besteken in het kort

besteken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 7 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van besteken zijn 33 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort besteken bij een woordfamilie van 6 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

besteken: steken op
Deel besteken — standaardnederlands.nl