besteken
werkwoordBetekenis
- steken op
- aanvallen
- voorzien
- versieren
- bepalen
- beschenken
- omkopen
Vervoeging van besteken
bestekenhele werkwoord — bestakverleden tijd enkelvoud — bestakenverleden tijd meervoud — bestokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | besteek | bestak |
| jij | besteekt | bestaakt |
| hij, zij, het | besteekt | bestak |
| wij | besteken | bestaken |
| jullie | besteken | bestaken |
| zij | besteken | bestaken |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bestak | verleden tijd |
| besteek | gebiedende wijs |
| besteke | aanvoegende wijs |
| bestekend | onvoltooid, deelwoord |
| bestoken | verleden tijd, deelwoord |
| bestoken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bestoken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bestoken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te besteken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bestoken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen besteken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal besteken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal besteken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal besteken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou besteken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou besteken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou besteken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden besteken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden besteken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden besteken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt besteken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen besteken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen besteken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen besteken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen besteken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult besteken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult bestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van steken met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van besteken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bestak | verleden tijd | besteken |
| besteek | gebiedende wijs | besteken |
| besteekt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | besteken |
| besteke | aanvoegende wijs | besteken |
| bestekend | onvoltooid deelwoord | besteken |
| bestekende | woordvorm | besteken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van besteken zijn vastgelegd.