bespugen
werkwoord /bə.'spy.ɣə(n)/Betekenis
- iemand, iets ~: speeksel doen belanden op iets of iemand.
Hoe spreek je bespugen uit?
/bəˈspyxən/
Bespugen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| s | sok |
| p | pak |
| y | fuut |
| x | acht |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bespugen
bespugenhele werkwoord — bespoogverleden tijd enkelvoud — bespogenverleden tijd meervoud — bespogenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bespuug | bespoog |
| jij | bespuugt | bespoog |
| hij, zij, het | bespuugt | bespoog |
| wij | bespugen | bespogen |
| jullie | bespugen | bespogen |
| zij | bespugen | bespogen |
Alle 77 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bespogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bespogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bespogen | verleden tijd, deelwoord |
| bespogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| bespogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| bespogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| bespogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bespogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bespogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| bespogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| bespogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| bespogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| bespogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| bespogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| bespogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| bespogen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bespogen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bespoog | verleden tijd |
| bespuge | aanvoegende wijs |
| bespugend | onvoltooid, deelwoord |
| bespuug | gebiedende wijs |
| bespuugd | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bespuugd | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bespuugd | verleden tijd, deelwoord |
| bespuugde | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bespuugd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bespuugd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bespuugd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bespuugd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bespuugd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bespuugd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bespuugd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bespuugd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bespuugd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bespuugd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bespuugd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bespuugd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt bespuugd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bespuugd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bespuugd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bespugen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bespuugd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bespugen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bespugen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bespugen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bespugen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bespuugd | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bespuugd | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bespuugd | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bespugen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bespugen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bespugen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bespuugd | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bespuugd | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bespuugd | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bespugen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bespugen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bespugen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bespuugd | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bespuugd | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bespuugd | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bespugen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bespuugd | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bespugen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bespugen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bespugen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bespugen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bespuugd | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bespuugd | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bespuugd | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bespugen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult bespuugd | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van spugen met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van bespugen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bespogen | voltooid deelwoord | bespugen |
| bespoog | verleden tijd | bespugen |
| bespuge | aanvoegende wijs | bespugen |
| bespugend | onvoltooid deelwoord | bespugen |
| bespugende | woordvorm | bespugen |
| bespuug | gebiedende wijs | bespugen |
| bespuugd | voltooid deelwoord | bespugen |
| bespuugde | verleden tijd | bespugen |
| bespuugden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bespugen |
| bespuugt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bespugen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bespugen zijn vastgelegd.