besnijden
werkwoordBetekenis
- door snijden vormen, bewerken
- (bij mannen) de voorhuid van de penis wegsnijden
- (bij vrouwen) de clitoris, clitorishoed of schaamlippen wegsnijden
werkwoord
- de voorhuid van de penis verwijderen transitive
- de clitoris, clitorishoed of soms schaamlippen wegsnijden transitive
Vervoeging van besnijden
besnijdenhele werkwoord — besneedverleden tijd enkelvoud — besnedenverleden tijd meervoud — besnedenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | besnij | besneed |
| jij | besnijdt | besneed |
| hij, zij, het | besnijdt | besneed |
| wij | besnijden | besneden |
| jullie | besnijden | besneden |
| zij | besnijden | besneden |
Alle 127 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben besneden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent besneden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| besneden | verleden tijd, deelwoord |
| besneden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| besneden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| besneden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| besneden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| besneden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| besneden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| besneden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| besneden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| besneden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| besneden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| besneed | verleden tijd |
| besnij | gebiedende wijs |
| besnijd | gebiedende wijs |
| besnijde | aanvoegende wijs |
| besnijdend | onvoltooid, deelwoord |
| er is besneden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was besneden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd besneden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt besneden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal besneden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal besneden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou besneden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou besneden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had besneden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had besneden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had besneden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden besneden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden besneden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden besneden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt besneden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb besneden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben besneden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben besneden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben besneden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben besneden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt besneden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft besneden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft besneden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is besneden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is besneden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te besnijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben besneden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen besnijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart besneden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren besneden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren besneden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren besneden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was besneden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was besneden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was besneden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd besneden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd besneden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd besneden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden besneden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden besneden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden besneden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt besneden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word besneden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden besneden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden besneden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden besneden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt besneden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt besneden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal besneden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal besneden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal besneden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal besneden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal besneden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal besneden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal besneden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal besnijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal besnijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal besnijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn besneden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn besneden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn besneden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt besneden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou besneden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou besneden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou besneden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou besneden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou besneden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou besneden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou besneden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou besneden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou besneden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou besnijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou besnijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou besnijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden besneden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden besneden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden besneden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden besneden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden besneden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden besneden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden besneden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden besneden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden besneden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden besnijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden besnijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden besnijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt besneden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt besneden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt besneden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt besnijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen besneden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen besneden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen besneden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen besneden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen besneden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen besneden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen besneden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen besneden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen besneden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen besnijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen besnijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen besnijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen besnijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult besneden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult besneden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult besneden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult besnijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van snijden met het voorvoegsel be-.
Woordfamilie van besnijden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| besneden | voltooid deelwoord | besnijden |
| besneed | verleden tijd | besnijden |
| besnij | gebiedende wijs | besnijden |
| besnijd | gebiedende wijs | besnijden |
| besnijde | aanvoegende wijs | besnijden |
| besnijdend | onvoltooid deelwoord | besnijden |
| besnijdende | woordvorm | besnijden |
| besnijdt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | besnijden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van besnijden zijn vastgelegd.