besneeuwen
werkwoordBetekenis
- met sneeuw bedekken
Vervoeging van besneeuwen
besneeuwenhele werkwoord — besneeuwdeverleden tijd enkelvoud — besneeuwdenverleden tijd meervoud — besneeuwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | besneeuw | besneeuwde |
| jij | besneeuwt | besneeuwde |
| hij, zij, het | besneeuwt | besneeuwde |
| wij | besneeuwen | besneeuwden |
| jullie | besneeuwen | besneeuwden |
| zij | besneeuwen | besneeuwden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| besneeuw | gebiedende wijs |
| besneeuwd | verleden tijd, deelwoord |
| besneeuwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| besneeuwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| besneeuwde | verleden tijd |
| besneeuwe | aanvoegende wijs |
| besneeuwend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| had besneeuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had besneeuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had besneeuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden besneeuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden besneeuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden besneeuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt besneeuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb besneeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben besneeuwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben besneeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben besneeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben besneeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt besneeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft besneeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft besneeuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te besneeuwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben besneeuwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen besneeuwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal besneeuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal besneeuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal besneeuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal besneeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal besneeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal besneeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou besneeuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou besneeuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou besneeuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou besneeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou besneeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou besneeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden besneeuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden besneeuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden besneeuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden besneeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden besneeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden besneeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt besneeuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt besneeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen besneeuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen besneeuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen besneeuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen besneeuwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen besneeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen besneeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen besneeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult besneeuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult besneeuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van sneeuwen met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van besneeuwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| besneeuw | gebiedende wijs | besneeuwen |
| besneeuwden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | besneeuwen |
| besneeuwe | aanvoegende wijs | besneeuwen |
| besneeuwend | onvoltooid deelwoord | besneeuwen |
| besneeuwende | woordvorm | besneeuwen |
| besneeuwt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | besneeuwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van besneeuwen zijn vastgelegd.