beraden
werkwoord, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- zich ~ overleg plegen en goed over een zaak nadenken alvorens een besluit te nemen
- bedachtzaam, bezonnen
Vervoeging van beraden
beradenhele werkwoord — beradenvoltooid deelwoord
Alle 47 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beraad me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| beraad u/je , beraadt je | gebiedende wijs |
| beraadde | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beraadde | verleden tijd |
| beraadde | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| beraadde | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| beraadde | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beraadde | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beraadden | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| beraadden | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| beraadden | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| beraadt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| beraadt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beraadt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| beraadt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| beraadt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beraadt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| berade zich | aanvoegende wijs |
| beraden | verleden tijd, deelwoord |
| beraden je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| beraden ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| beraden zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| beried | verleden tijd |
| beried je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beried me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beried u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| beried u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| beried zich | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| beried zich | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| beried zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| berieden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| berieden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| berieden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| zal me beraden | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich beraden | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je beraden | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich beraden hebben | verleden tijd |
| zich beradend | onvoltooid, deelwoord |
| zullen je beraden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons beraden | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich beraden | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u beraden | tweede persoon |
| zult u beraden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u beraden | tweede persoon |
| zult zich/u beraden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord beraad
Woordvorm
- voltooid deelwoord van beraden
Vervoeging van beraden
beradenhele werkwoord
Herkomst
afgeleid van raden (een advies geven) met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van beraden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beraadde | verleden tijd | beraden |
| beraadden | 1e persoon, verleden tijd, meervoud | beraden |
| beraadt | woordvorm | beraden |
| berade | woordvorm | beraden |
| beradend | woordvorm | beraden |
| beradende | woordvorm | beraden |
| beradener | woordvorm | beraden |
| beradeners | woordvorm | beraden |
| beradens | woordvorm | beraden |
| beradenst | woordvorm | beraden |
| beradenste | woordvorm | beraden |
| beried | verleden tijd | beraden |
| berieden | woordvorm | beraden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beraden zijn vastgelegd.