benijden
werkwoordBetekenis
- wensen dat men zelf mocht hebben wat een ander heeft en met de nodige pijn ervaren dat dat niet het geval is, jaloers zijn
Vervoeging van benijden
benijdenhele werkwoord — benijddeverleden tijd enkelvoud — benijddenverleden tijd meervoud — benijdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | benijd | benijdde |
| jij | benijdt | benijdde |
| hij, zij, het | benijdt | benijdde |
| wij | benijden | benijdden |
| jullie | benijden | benijdden |
| zij | benijden | benijdden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben benijd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| benijd | gebiedende wijs |
| benijd | verleden tijd, deelwoord |
| benijd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| benijd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| benijd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| benijd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| benijd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| benijd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| benijd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| benijd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| benijd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| benijd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| benijdde* | verleden tijd |
| benijde | aanvoegende wijs |
| benijdend | onvoltooid, deelwoord |
| bent benijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is benijd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was benijd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd benijd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt benijd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal benijd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal benijd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou benijd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou benijd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had benijd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had benijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had benijd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden benijd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden benijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden benijd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt benijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb benijd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben benijd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben benijd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben benijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben benijd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt benijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft benijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft benijd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is benijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is benijd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te benijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben benijd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen benijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart benijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren benijd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren benijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren benijd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was benijd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was benijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was benijd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd benijd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd benijd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd benijd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden benijd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden benijd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden benijd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt benijd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word benijd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden benijd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden benijd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden benijd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt benijd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt benijd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal benijd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal benijd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal benijd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal benijd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal benijd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal benijd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal benijd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal benijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal benijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal benijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn benijd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn benijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn benijd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt benijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou benijd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou benijd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou benijd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou benijd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou benijd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou benijd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou benijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou benijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou benijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou benijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou benijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou benijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden benijd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden benijd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden benijd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden benijd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden benijd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden benijd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden benijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden benijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden benijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden benijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden benijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden benijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt benijd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt benijd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt benijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt benijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen benijd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen benijd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen benijd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen benijd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen benijd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen benijd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen benijd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen benijd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen benijd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen benijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen benijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen benijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen benijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult benijd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult benijd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult benijd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult benijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘jaloers zijn’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Woordfamilie van benijden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| benijd | voltooid deelwoord | benijden |
| benijdde | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 1e persoon | benijden |
| benijdden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | benijden |
| benijde | aanvoegende wijs | benijden |
| benijdend | onvoltooid deelwoord | benijden |
| benijdende | woordvorm | benijden |
| benijdt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | benijden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van benijden zijn vastgelegd.