Naar de inhoud

bematten

bedekken met matten

bematten

werkwoord

Betekenis

  1. bedekken met matten

Vervoeging van bematten

bemattenhele werkwoord — bematteverleden tijd enkelvoud — bematvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bemat bematte
jij bemat bematte
hij, zij, het bemat bematte
wij bematten —
jullie bematten —
zij bematten —
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
bemat gebiedende wijs
bemat verleden tijd, deelwoord
bemat te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bemat zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bematte verleden tijd
bematte aanvoegende wijs
bemattend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
had bemat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had bemat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had bemat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden bemat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden bemat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden bemat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt bemat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb bemat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bemat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben bemat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bemat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben bemat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt bemat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bemat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bemat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te bematten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben bemat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bematten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal bemat hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bemat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal bemat hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bematten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bematten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bematten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou bemat hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bemat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bemat hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bematten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bematten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bematten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden bemat hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bemat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bemat hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bematten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bematten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bematten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt bemat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bematten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen bemat hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bemat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bemat hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bematten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen bematten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bematten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bematten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult bemat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult bematten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van bematten

Vervoeging van bematten

bemattenhele werkwoord — bematteverleden tijd enkelvoud — bematvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bemat bematte
jij bemat bematte
hij, zij, het bemat bematte
wij bematten —
jullie bematten —
zij bematten —
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
bemat gebiedende wijs
bemat verleden tijd, deelwoord
bemat te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bemat zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bematte verleden tijd
bematte aanvoegende wijs
bemattend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
had bemat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had bemat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had bemat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden bemat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden bemat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden bemat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt bemat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb bemat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bemat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben bemat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bemat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben bemat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt bemat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bemat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bemat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te bematten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben bemat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bematten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal bemat hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bemat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal bemat hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bematten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bematten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bematten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou bemat hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bemat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bemat hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bematten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bematten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bematten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden bemat hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bemat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bemat hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bematten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bematten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bematten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt bemat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bematten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen bemat hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bemat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bemat hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bematten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen bematten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bematten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bematten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult bemat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult bematten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van matten met het voorvoegsel be-

Woordfamilie van bematten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bematte verleden tijd bematten
bemattend onvoltooid deelwoord bematten
bemattende woordvorm bematten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bematten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over bematten

Wat is de betekenis van bematten?
Bematten is een werkwoord. De betekenis is: bedekken met matten.
Hoe vervoeg ik bematten?
Zo vervoeg je bematten zo: de tegenwoordige tijd is bemat, de verleden tijd is bematte en het voltooid deelwoord is bemat. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bematten is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. E 1
  3. M 3
  4. A 1
  5. T 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bematten levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. E 1
  3. M 3
  4. A 1
  5. T 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

bematten in het kort

bematten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van bematten staan er 28 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort bematten bij een woordfamilie van 3 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

bematten: bedekken met matten
Deel bematten — standaardnederlands.nl