Naar de inhoud

belijden

een verklaring afleggen een bepaald geloof aan te hangen

belijden

werkwoord

Betekenis

  1. een verklaring afleggen een bepaald geloof aan te hangen
  2. in het openbaar een verklaring afleggen iets fout gedaan te hebben

Vervoeging van belijden

belijdenhele werkwoord — beleedverleden tijd enkelvoud — beledenverleden tijd meervoud — beledenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik belijd beleed
jij belijdt beleed
hij, zij, het belijdt beleed
wij belijden beleden
jullie belijden beleden
zij belijden beleden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
beleden verleden tijd, deelwoord
beleden te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
beleden te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
beleden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
beleden te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
beleden te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
beleden worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
beleden zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
beleden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
beleden zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
beleden zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
beleed verleden tijd
belijd gebiedende wijs
belijde aanvoegende wijs
belijdend onvoltooid, deelwoord
ben beleden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent beleden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is beleden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was beleden impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd beleden impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt beleden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal beleden worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal beleden zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou beleden worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou beleden zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had beleden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had beleden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had beleden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden beleden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden beleden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden beleden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt beleden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb beleden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben beleden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben beleden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben beleden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben beleden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt beleden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft beleden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft beleden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is beleden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is beleden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te belijden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben beleden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen belijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart beleden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren beleden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren beleden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren beleden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was beleden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was beleden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was beleden voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd beleden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd beleden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd beleden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden beleden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden beleden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden beleden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt beleden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word beleden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden beleden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden beleden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden beleden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt beleden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt beleden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal beleden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal beleden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal beleden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal beleden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal beleden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal beleden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal beleden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal belijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal belijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal belijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn beleden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn beleden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn beleden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt beleden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou beleden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou beleden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou beleden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou beleden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou beleden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou beleden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou beleden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou beleden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou beleden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou belijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou belijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou belijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden beleden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden beleden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden beleden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden beleden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden beleden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden beleden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden beleden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden beleden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden beleden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden belijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden belijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden belijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt beleden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt beleden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt beleden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt belijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen beleden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen beleden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen beleden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen beleden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen beleden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen beleden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen beleden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen beleden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen beleden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen belijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen belijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen belijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen belijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult beleden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult beleden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult beleden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult belijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘(een geloof) aanhangen, bekennen’ voor het eerst aangetroffen in 1282

Woordfamilie van belijden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
beleden voltooid deelwoord belijden
beleed verleden tijd belijden
belijd gebiedende wijs belijden
belijde aanvoegende wijs belijden
belijdend onvoltooid deelwoord belijden
belijdende woordvorm belijden
belijdt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon belijden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van belijden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over belijden

Wat betekent belijden?
Belijden is een werkwoord. Het woord betekent: een verklaring afleggen een bepaald geloof aan te hangen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je belijden?
Je vervoegt belijden als volgt: de tegenwoordige tijd is belijd, de verleden tijd is beleed en het voltooid deelwoord is beleden. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord belijden is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. E 1
  3. L 3
  4. I 1
  5. J 4
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

belijden levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. E 1
  3. L 3
  4. I 2
  5. J 4
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 zonder bonus
  10. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

belijden in het kort

belijden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van belijden zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort belijden bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

belijden: een verklaring afleggen een bepaald geloof aan te hangen
Deel belijden — standaardnederlands.nl