belijden
werkwoordBetekenis
- een verklaring afleggen een bepaald geloof aan te hangen
- in het openbaar een verklaring afleggen iets fout gedaan te hebben
Vervoeging van belijden
belijdenhele werkwoord — beleedverleden tijd enkelvoud — beledenverleden tijd meervoud — beledenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | belijd | beleed |
| jij | belijdt | beleed |
| hij, zij, het | belijdt | beleed |
| wij | belijden | beleden |
| jullie | belijden | beleden |
| zij | belijden | beleden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| beleden | verleden tijd, deelwoord |
| beleden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beleden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beleden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beleden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beleden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beleden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beleden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beleden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beleden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beleden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beleed | verleden tijd |
| belijd | gebiedende wijs |
| belijde | aanvoegende wijs |
| belijdend | onvoltooid, deelwoord |
| ben beleden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent beleden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is beleden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was beleden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd beleden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt beleden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal beleden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal beleden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou beleden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou beleden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had beleden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had beleden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had beleden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden beleden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden beleden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden beleden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt beleden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb beleden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beleden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben beleden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beleden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben beleden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt beleden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beleden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beleden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is beleden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is beleden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te belijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben beleden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen belijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart beleden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beleden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren beleden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beleden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was beleden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was beleden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was beleden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd beleden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd beleden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd beleden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden beleden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden beleden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden beleden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt beleden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word beleden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden beleden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden beleden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden beleden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt beleden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt beleden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal beleden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beleden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal beleden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beleden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beleden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal beleden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beleden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal belijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal belijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal belijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn beleden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn beleden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn beleden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt beleden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou beleden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beleden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beleden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beleden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beleden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou beleden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou belijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou belijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou belijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden beleden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beleden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beleden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beleden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beleden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beleden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden belijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden belijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden belijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt beleden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beleden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt belijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen beleden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beleden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beleden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beleden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beleden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beleden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beleden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beleden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beleden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen belijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen belijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen belijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen belijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult beleden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beleden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beleden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult belijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘(een geloof) aanhangen, bekennen’ voor het eerst aangetroffen in 1282
Woordfamilie van belijden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beleden | voltooid deelwoord | belijden |
| beleed | verleden tijd | belijden |
| belijd | gebiedende wijs | belijden |
| belijde | aanvoegende wijs | belijden |
| belijdend | onvoltooid deelwoord | belijden |
| belijdende | woordvorm | belijden |
| belijdt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | belijden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van belijden zijn vastgelegd.