belanden
werkwoordBetekenis
- min of meer bij toeval op een bepaalde plaats geraken, terechtkomen
- met het schip onverhoeds aan land geraken
Vervoeging van belanden
belandenhele werkwoord — belanddeverleden tijd enkelvoud — belanddenverleden tijd meervoud — belandvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beland | belandde |
| jij | belandt | belandde |
| hij, zij, het | belandt | belandde |
| wij | belanden | belandden |
| jullie | belanden | belandden |
| zij | belanden | belandden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beland | gebiedende wijs |
| beland | verleden tijd, deelwoord |
| beland te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beland zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| belandde | verleden tijd |
| belande | aanvoegende wijs |
| belandend | onvoltooid, deelwoord |
| ben beland | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent beland | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is beland | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is beland | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te belanden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn beland | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen belanden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart beland | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beland | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren beland | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beland | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was beland | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was beland | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was beland | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal beland zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beland zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal beland zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal belanden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal belanden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal belanden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn beland | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn beland | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn beland | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn beland | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt beland | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou beland zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beland zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beland zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou belanden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou belanden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou belanden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden beland zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beland zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beland zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden belanden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden belanden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden belanden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt beland zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt belanden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen beland zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beland zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beland zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen belanden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen belanden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen belanden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen belanden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult beland zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult belanden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van landen met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van belanden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beland | voltooid deelwoord | belanden |
| belandde | verleden tijd | belanden |
| belandden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | belanden |
| belande | aanvoegende wijs | belanden |
| belandend | onvoltooid deelwoord | belanden |
| belandende | woordvorm | belanden |
| belandt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | belanden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van belanden zijn vastgelegd.