bekomen
werkwoordBetekenis
- een goede of slechte uitwerking hebben
- herstellen
- in eigendom krijgen*
Vervoeging van bekomen
bekomenhele werkwoord — bekwamverleden tijd enkelvoud — bekwamenverleden tijd meervoud — bekomenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bekom | bekwam |
| jij | bekomt | bekwaamt |
| hij, zij, het | bekomt | bekwam |
| wij | bekomen | bekwamen |
| jullie | bekomen | bekwamen |
| zij | bekomen | bekwamen |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| bekom | gebiedende wijs |
| bekome | aanvoegende wijs |
| bekomen | verleden tijd, deelwoord |
| bekomen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bekomen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bekomen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bekomen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bekomen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bekomen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bekomen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bekomen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bekomen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bekomen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bekomend | onvoltooid, deelwoord |
| bekwam | verleden tijd |
| ben bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is bekomen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was bekomen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd bekomen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt bekomen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal bekomen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal bekomen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou bekomen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou bekomen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bekomen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bekomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd bekomen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd bekomen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd bekomen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden bekomen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden bekomen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden bekomen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt bekomen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word bekomen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden bekomen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden bekomen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden bekomen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt bekomen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt bekomen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bekomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bekomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bekomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bekomen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bekomen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal bekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bekomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bekomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bekomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bekomen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bekomen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou bekomen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bekomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bekomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bekomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bekomen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bekomen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bekomen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bekomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bekomen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bekomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bekomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bekomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bekomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bekomen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bekomen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bekomen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bekomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult bekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bekomen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van bekomen
Vervoeging van bekomen
bekomenhele werkwoord — bekwamverleden tijd enkelvoud — bekwamenverleden tijd meervoud — bekomenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bekom | bekwam |
| jij | bekomt | bekwaamt |
| hij, zij, het | bekomt | bekwam |
| wij | bekomen | bekwamen |
| jullie | bekomen | bekwamen |
| zij | bekomen | bekwamen |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| bekom | gebiedende wijs |
| bekome | aanvoegende wijs |
| bekomen | verleden tijd, deelwoord |
| bekomen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bekomen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bekomen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bekomen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bekomen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bekomen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bekomen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bekomen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bekomen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bekomen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bekomend | onvoltooid, deelwoord |
| bekwam | verleden tijd |
| ben bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is bekomen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was bekomen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd bekomen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt bekomen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal bekomen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal bekomen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou bekomen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou bekomen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bekomen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bekomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd bekomen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd bekomen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd bekomen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden bekomen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden bekomen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden bekomen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt bekomen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word bekomen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden bekomen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden bekomen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden bekomen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt bekomen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt bekomen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bekomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bekomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bekomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bekomen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bekomen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal bekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bekomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bekomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bekomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bekomen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bekomen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou bekomen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bekomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bekomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bekomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bekomen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bekomen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bekomen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bekomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bekomen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bekomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bekomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bekomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bekomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bekomen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bekomen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bekomen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bekomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult bekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bekomen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van komen met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van bekomen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bekom | gebiedende wijs | bekomen |
| bekome | aanvoegende wijs | bekomen |
| bekomend | onvoltooid deelwoord | bekomen |
| bekomende | woordvorm | bekomen |
| bekomt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bekomen |
| bekwam | verleden tijd | bekomen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bekomen zijn vastgelegd.