bejammeren
werkwoordBetekenis
- luidkeels iets beklagen
Vervoeging van bejammeren
bejammerenhele werkwoord — bejammerdeverleden tijd enkelvoud — bejammerdenverleden tijd meervoud — bejammerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bejammer | bejammerde |
| jij | bejammert | bejammerde |
| hij, zij, het | bejammert | bejammerde |
| wij | bejammeren | bejammerden |
| jullie | bejammeren | bejammerden |
| zij | bejammeren | bejammerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bejammer | gebiedende wijs |
| bejammerd | verleden tijd, deelwoord |
| bejammerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bejammerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bejammerde | verleden tijd |
| bejammere | aanvoegende wijs |
| bejammerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bejammerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bejammerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bejammerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bejammerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bejammerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bejammerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bejammerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bejammerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bejammerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bejammerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bejammerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bejammerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bejammerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bejammerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bejammerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bejammeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bejammerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bejammeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bejammerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bejammerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bejammerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bejammeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bejammeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bejammeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou bejammerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bejammerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bejammerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bejammeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bejammeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bejammeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden bejammerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bejammerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bejammerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bejammeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bejammeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bejammeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt bejammerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bejammeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen bejammerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bejammerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bejammerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bejammeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bejammeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bejammeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bejammeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult bejammerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bejammeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van jammeren met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van bejammeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bejammer | gebiedende wijs | bejammeren |
| bejammerd | voltooid deelwoord | bejammeren |
| bejammerde | verleden tijd | bejammeren |
| bejammerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bejammeren |
| bejammere | aanvoegende wijs | bejammeren |
| bejammerend | onvoltooid deelwoord | bejammeren |
| bejammerende | woordvorm | bejammeren |
| bejammert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bejammeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bejammeren zijn vastgelegd.