Naar de inhoud

bejammeren

luidkeels iets beklagen

bejammeren

werkwoord

Betekenis

  1. luidkeels iets beklagen

Vervoeging van bejammeren

bejammerenhele werkwoord — bejammerdeverleden tijd enkelvoud — bejammerdenverleden tijd meervoud — bejammerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bejammer bejammerde
jij bejammert bejammerde
hij, zij, het bejammert bejammerde
wij bejammeren bejammerden
jullie bejammeren bejammerden
zij bejammeren bejammerden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
bejammer gebiedende wijs
bejammerd verleden tijd, deelwoord
bejammerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bejammerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bejammerde verleden tijd
bejammere aanvoegende wijs
bejammerend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
had bejammerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had bejammerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had bejammerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden bejammerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden bejammerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden bejammerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt bejammerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb bejammerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bejammerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben bejammerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bejammerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben bejammerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt bejammerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bejammerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bejammerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te bejammeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben bejammerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bejammeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal bejammerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bejammerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal bejammerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bejammeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bejammeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bejammeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou bejammerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bejammerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bejammerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bejammeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bejammeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bejammeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden bejammerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bejammerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bejammerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bejammeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bejammeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bejammeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt bejammerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bejammeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen bejammerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bejammerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bejammerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bejammeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen bejammeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bejammeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bejammeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult bejammerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult bejammeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van jammeren met het voorvoegsel be-

Woordfamilie van bejammeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bejammer gebiedende wijs bejammeren
bejammerd voltooid deelwoord bejammeren
bejammerde verleden tijd bejammeren
bejammerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon bejammeren
bejammere aanvoegende wijs bejammeren
bejammerend onvoltooid deelwoord bejammeren
bejammerende woordvorm bejammeren
bejammert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon bejammeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bejammeren zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over bejammeren

Wat is de betekenis van bejammeren?
Bejammeren is een werkwoord. De betekenis is: luidkeels iets beklagen.
Hoe vervoeg ik bejammeren?
Zo vervoeg je bejammeren zo: de tegenwoordige tijd is bejammer, de verleden tijd is bejammerde en het voltooid deelwoord is bejammerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bejammeren is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. E 1
  3. J 4
  4. A 1
  5. M 3
  6. M 3
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bejammeren levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. E 1
  3. J 4
  4. A 1
  5. M 3
  6. M 3
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

bejammeren in het kort

bejammeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van bejammeren staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort bejammeren bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

bejammeren: luidkeels iets beklagen
Deel bejammeren — standaardnederlands.nl