begiftigen
werkwoordBetekenis
- een gift overhandigen
Vervoeging van begiftigen
begiftigenhele werkwoord — begiftigdeverleden tijd enkelvoud — begiftigdenverleden tijd meervoud — begiftigdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | begiftig | begiftigde |
| jij | begiftigt | begiftigde |
| hij, zij, het | begiftigt | begiftigde |
| wij | begiftigen | begiftigden |
| jullie | begiftigen | begiftigden |
| zij | begiftigen | begiftigden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| begiftig | gebiedende wijs |
| begiftigd | verleden tijd, deelwoord |
| begiftigd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| begiftigd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| begiftigde | verleden tijd |
| begiftige | aanvoegende wijs |
| begiftigend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| had begiftigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had begiftigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had begiftigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden begiftigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden begiftigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden begiftigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt begiftigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb begiftigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben begiftigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben begiftigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben begiftigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben begiftigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt begiftigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft begiftigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft begiftigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te begiftigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben begiftigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen begiftigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal begiftigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal begiftigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal begiftigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal begiftigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal begiftigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal begiftigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou begiftigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou begiftigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou begiftigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou begiftigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou begiftigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou begiftigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden begiftigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden begiftigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden begiftigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden begiftigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden begiftigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden begiftigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt begiftigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt begiftigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen begiftigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen begiftigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen begiftigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen begiftigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen begiftigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen begiftigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen begiftigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult begiftigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult begiftigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘beschenken met’ voor het eerst aangetroffen in 1477
Woordfamilie van begiftigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| begiftig | gebiedende wijs | begiftigen |
| begiftigd | voltooid deelwoord | begiftigen |
| begiftige | aanvoegende wijs | begiftigen |
| begiftigend | onvoltooid deelwoord | begiftigen |
| begiftigende | woordvorm | begiftigen |
| begiftigt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | begiftigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van begiftigen zijn vastgelegd.