begeven
werkwoordBetekenis
- zich ~: ergens heen gaan vaak op een plechtige of feestelijke manier
- het ~: niet langer aan de druk weerstand kunnen bieden
- in de steek laten, verlaten
Vervoeging van begeven
begevenhele werkwoord — begafverleden tijd enkelvoud — begavenverleden tijd meervoud — begevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | begeef | begaf |
| jij | begeeft | begaaft |
| hij, zij, het | begeeft | begaf |
| wij | begeven | begaven |
| jullie | begeven | begaven |
| zij | begeven | begaven |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| begaaft u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| begaaft u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| begaf | verleden tijd |
| begaf je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| begaf me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| begaf zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| begaf zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| begaf zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| begaven je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| begaven ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| begaven zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| begeef | gebiedende wijs |
| begeef me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| begeef u/je , begeeft je | gebiedende wijs |
| begeeft je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| begeeft u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| begeeft u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| begeeft zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| begeeft zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| begeeft zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| begeve | aanvoegende wijs |
| begeve zich | aanvoegende wijs |
| begeven | verleden tijd, deelwoord |
| begeven je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| begeven ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| begeven te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| begeven te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| begeven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| begeven te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| begeven te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| begeven worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| begeven zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| begeven zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| begeven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| begeven zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| begeven zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| begevend | onvoltooid, deelwoord |
| ben begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is begeven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was begeven | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd begeven | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt begeven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal begeven worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal begeven zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou begeven worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou begeven zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had begeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had begeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had begeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden begeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden begeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden begeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt begeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben begeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te begeven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben begeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen begeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart begeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren begeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren begeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren begeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was begeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was begeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was begeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd begeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd begeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd begeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden begeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden begeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden begeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt begeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word begeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden begeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden begeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden begeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt begeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt begeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal begeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal begeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal begeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal begeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal begeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal begeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal begeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal begeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal begeven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal begeven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me begeven | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich begeven | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je begeven | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich begeven hebben | verleden tijd |
| zich begevend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou begeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou begeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou begeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou begeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou begeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou begeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou begeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou begeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou begeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou begeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou begeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou begeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden begeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden begeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden begeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden begeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden begeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden begeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden begeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden begeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden begeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden begeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden begeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden begeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt begeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt begeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt begeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt begeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen begeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen begeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen begeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen begeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van begeven
Vervoeging van begeven
begevenhele werkwoord — begafverleden tijd enkelvoud — begavenverleden tijd meervoud — begevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | begeef | begaf |
| jij | begeeft | begaaft |
| hij, zij, het | begeeft | begaf |
| wij | begeven | begaven |
| jullie | begeven | begaven |
| zij | begeven | begaven |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| begaaft u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| begaaft u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| begaf | verleden tijd |
| begaf je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| begaf me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| begaf zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| begaf zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| begaf zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| begaven je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| begaven ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| begaven zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| begeef | gebiedende wijs |
| begeef me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| begeef u/je , begeeft je | gebiedende wijs |
| begeeft je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| begeeft u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| begeeft u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| begeeft zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| begeeft zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| begeeft zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| begeve | aanvoegende wijs |
| begeve zich | aanvoegende wijs |
| begeven | verleden tijd, deelwoord |
| begeven je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| begeven ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| begeven te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| begeven te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| begeven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| begeven te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| begeven te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| begeven worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| begeven zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| begeven zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| begeven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| begeven zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| begeven zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| begevend | onvoltooid, deelwoord |
| ben begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is begeven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was begeven | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd begeven | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt begeven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal begeven worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal begeven zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou begeven worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou begeven zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had begeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had begeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had begeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden begeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden begeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden begeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt begeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben begeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te begeven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben begeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen begeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart begeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren begeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren begeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren begeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was begeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was begeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was begeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd begeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd begeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd begeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden begeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden begeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden begeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt begeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word begeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden begeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden begeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden begeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt begeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt begeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal begeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal begeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal begeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal begeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal begeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal begeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal begeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal begeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal begeven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal begeven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me begeven | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich begeven | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je begeven | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich begeven hebben | verleden tijd |
| zich begevend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt begeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou begeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou begeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou begeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou begeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou begeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou begeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou begeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou begeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou begeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou begeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou begeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou begeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden begeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden begeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden begeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden begeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden begeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden begeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden begeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden begeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden begeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden begeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden begeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden begeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt begeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt begeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt begeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt begeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen begeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen begeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen begeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen begeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
Herkomst
afgeleid van geven met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van begeven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| begaaft | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | begeven |
| begaf | verleden tijd | begeven |
| begaven | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | begeven |
| begeef | gebiedende wijs | begeven |
| begeeft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | begeven |
| begeve | aanvoegende wijs | begeven |
| begevend | onvoltooid deelwoord | begeven |
| begevende | woordvorm | begeven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van begeven zijn vastgelegd.