bedillen
werkwoordBetekenis
- op een bemoeizuchtige manier voor een ander regelen
- gezochte kritiek leveren
Vervoeging van bedillen
bedillenhele werkwoord — bedildeverleden tijd enkelvoud — bedildenverleden tijd meervoud — bedildvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bedil | bedilde |
| jij | bedilt | bedilde |
| hij, zij, het | bedilt | bedilde |
| wij | bedillen | bedilden |
| jullie | bedillen | bedilden |
| zij | bedillen | bedilden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| bedil | gebiedende wijs |
| bedild | verleden tijd, deelwoord |
| bedild te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bedild te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bedild te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bedild te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bedild te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bedild worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bedild zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bedild zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bedild zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bedild zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bedilde | verleden tijd |
| bedille | aanvoegende wijs |
| bedillend | onvoltooid, deelwoord |
| ben bedild | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bedild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is bedild | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was bedild | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd bedild | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt bedild | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal bedild worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal bedild zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou bedild worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou bedild zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bedild | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bedild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bedild | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bedild | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bedild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bedild | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bedild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bedild | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bedild | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bedild | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bedild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bedild | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bedild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bedild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bedild | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is bedild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bedild | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bedillen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bedild | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bedillen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bedild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bedild | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bedild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bedild | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bedild | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bedild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bedild | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd bedild | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd bedild | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd bedild | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden bedild | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden bedild | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden bedild | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt bedild | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word bedild | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden bedild | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden bedild | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden bedild | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt bedild | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt bedild | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bedild hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bedild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bedild hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bedild worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bedild worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal bedild zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bedild zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bedillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bedillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bedillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn bedild | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bedild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bedild | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bedild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bedild hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bedild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bedild hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bedild worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bedild worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou bedild worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bedild zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bedild zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bedild zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bedillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bedillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bedillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden bedild hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bedild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bedild hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bedild worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bedild worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bedild worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bedild zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bedild zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bedild zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bedillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bedillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bedillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt bedild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bedild worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bedild zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bedillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen bedild hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bedild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bedild hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bedild worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bedild worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bedild worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bedild zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bedild zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bedild zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bedillen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bedillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bedillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bedillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult bedild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bedild worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bedild zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bedillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘bevitten, beredderen’ voor het eerst aangetroffen in 1599
Woordfamilie van bedillen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bedil | gebiedende wijs | bedillen |
| bedild | voltooid deelwoord | bedillen |
| bedilde | verleden tijd | bedillen |
| bedilden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bedillen |
| bedille | aanvoegende wijs | bedillen |
| bedillend | onvoltooid deelwoord | bedillen |
| bedillende | woordvorm | bedillen |
| bedilt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bedillen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bedillen zijn vastgelegd.