vitten
werkwoordBetekenis
- op gezochte, kleinzielige wijze afbrekende kritiek uitoefenen, kleingeestige aanmerkingen maken
Vervoeging van vitten
vittenhele werkwoord — vitteverleden tijd enkelvoud — gevitvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vit | vitte |
| jij | vit | vitte |
| hij, zij, het | vit | vitte |
| wij | vitten | — |
| jullie | vitten | — |
| zij | vitten | — |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gevit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gevit | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gevit | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gevit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gevit worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gevit zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gevit worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gevit zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gevit | verleden tijd, deelwoord |
| gevit te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevit zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vitten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vit | gebiedende wijs |
| vitte | verleden tijd |
| vitte | aanvoegende wijs |
| vittend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gevit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gevit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘kleingeestige aanmerkingen maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1682
Woordfamilie van vitten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevit | voltooid deelwoord | vitten |
| vit | gebiedende wijs | vitten |
| vitte | verleden tijd | vitten |
| vittend | onvoltooid deelwoord | vitten |
| vittende | woordvorm | vitten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vitten zijn vastgelegd.