bedekken
werkwoordBetekenis
- iets over iets heen plaatsen zodat het niet zichtbaar is
- een product met saus of iets anders overgieten
Vervoeging van bedekken
bedekkenhele werkwoord — bedekteverleden tijd enkelvoud — bedektenverleden tijd meervoud — bedektvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bedek | bedekte |
| jij | bedekt | bedekte |
| hij, zij, het | bedekt | bedekte |
| wij | bedekken | bedekten |
| jullie | bedekken | bedekten |
| zij | bedekken | bedekten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| bedek | gebiedende wijs |
| bedekke | aanvoegende wijs |
| bedekkend | onvoltooid, deelwoord |
| bedekt | verleden tijd, deelwoord |
| bedekt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bedekt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bedekt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bedekt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bedekt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bedekt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bedekt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bedekt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bedekt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bedekt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bedekte | verleden tijd |
| ben bedekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bedekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is bedekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was bedekt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd bedekt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt bedekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal bedekt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal bedekt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou bedekt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou bedekt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bedekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bedekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bedekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bedekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bedekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bedekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bedekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bedekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bedekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bedekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bedekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bedekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bedekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bedekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bedekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is bedekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bedekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bedekken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bedekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bedekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bedekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bedekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bedekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bedekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bedekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bedekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bedekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd bedekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd bedekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd bedekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden bedekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden bedekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden bedekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt bedekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word bedekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden bedekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden bedekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden bedekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt bedekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt bedekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bedekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bedekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bedekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bedekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bedekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bedekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bedekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bedekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal bedekt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bedekt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn bedekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bedekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bedekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bedekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bedekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bedekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bedekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bedekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bedekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bedekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bedekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bedekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou bedekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bedekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bedekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bedekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bedekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bedekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bedekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bedekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bedekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bedekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bedekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bedekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bedekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bedekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bedekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bedekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bedekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bedekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bedekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bedekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bedekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bedekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bedekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bedekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bedekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bedekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bedekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bedekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bedekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bedekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bedekt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bedekt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bedekt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bedekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult bedekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bedekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bedekt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van dekken met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van bedekken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bedek | gebiedende wijs | bedekken |
| bedekke | aanvoegende wijs | bedekken |
| bedekkend | onvoltooid deelwoord | bedekken |
| bedekkende | woordvorm | bedekken |
| bedekten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bedekken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bedekken zijn vastgelegd.