bebossen
werkwoordBetekenis
- met bomen bedekken
Vervoeging van bebossen
bebossenhele werkwoord — bebosteverleden tijd enkelvoud — bebostenverleden tijd meervoud — bebostvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bebos | beboste |
| jij | bebost | beboste |
| hij, zij, het | bebost | beboste |
| wij | bebossen | bebosten |
| jullie | bebossen | bebosten |
| zij | bebossen | bebosten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| bebos | gebiedende wijs |
| bebosse | aanvoegende wijs |
| bebossend | onvoltooid, deelwoord |
| bebost | verleden tijd, deelwoord |
| bebost te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bebost te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bebost te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bebost te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bebost te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bebost worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bebost zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bebost zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bebost zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bebost zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beboste | verleden tijd |
| ben bebost | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bebost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is bebost | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was bebost | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd bebost | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt bebost | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal bebost worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal bebost zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou bebost worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou bebost zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bebost | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bebost | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bebost | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bebost | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bebost | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bebost | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bebost | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bebost | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bebost | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bebost | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bebost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bebost | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bebost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bebost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bebost | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is bebost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bebost | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bebossen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bebost | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bebossen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bebost | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bebost | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bebost | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bebost | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bebost | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bebost | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bebost | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd bebost | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd bebost | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd bebost | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden bebost | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden bebost | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden bebost | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt bebost | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word bebost | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden bebost | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden bebost | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden bebost | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt bebost | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt bebost | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bebossen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bebossen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bebossen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bebost hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bebost hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bebost hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bebost worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bebost worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal bebost zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bebost zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn bebost | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bebost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bebost | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bebost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bebossen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bebossen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bebossen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bebost hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bebost hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bebost hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bebost worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bebost worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou bebost worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bebost zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bebost zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bebost zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bebossen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bebossen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bebossen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bebost hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bebost hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bebost hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bebost worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bebost worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bebost worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bebost zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bebost zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bebost zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bebossen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bebost hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bebost worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bebost zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bebossen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bebossen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bebossen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bebossen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bebost hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bebost hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bebost hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bebost worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bebost worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bebost worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bebost zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bebost zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bebost zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bebossen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult bebost hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bebost worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bebost zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van bos met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van bebossen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bebos | gebiedende wijs | bebossen |
| bebosse | aanvoegende wijs | bebossen |
| bebossend | onvoltooid deelwoord | bebossen |
| bebossende | woordvorm | bebossen |
| bebosten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bebossen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bebossen zijn vastgelegd.