barbecue
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈbɑrbəkju/Betekenis
- apparaat waarop vlees kan worden bereid door het op een rooster boven een warmtebron te verhitten
- feestelijke bijeenkomst waar men samen vlees roostert en opeet
- barbecue
Hoe spreek je barbecue uit?
/ˈbɑrbəkju/
Barbecue bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| ə | de |
| k | kat |
| j | ja |
| u | boek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| BBQ | |
| barbecues | meervoud |
| barbecuetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| barbecuetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van barbecueën
- gebiedende wijs van barbecueën
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van barbecueën
Vervoeging van barbecue
barbecuehele werkwoord
Herkomst
Als leenwoord uit het (VS) Engels, in de betekenis van ‘grill’, zou barbecue voor het eerst in 1963 aangetroffen zijn, volgens de lexicografische werken . Nederlandse reizigers maakten al in de 19de eeuw gewag van het fenomeen barbecue in de Verenigde Staten. Deze feestelijke traditie van vleesbereiding in de openlucht vond later ook in Nederland navolging.
Woordfamilie van barbecue
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| barbecues | meervoud | barbecue |
| barbecuetje | verkleinwoord | barbecue |
| barbecuetjes | verkleinwoord meervoud | barbecue |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van barbecue zijn vastgelegd.