bankieren
werkwoordBetekenis
- de geldzaken regelen met een bank of financiële instelling
Vervoeging van bankieren
bankierenhele werkwoord — bankierdeverleden tijd enkelvoud — bankierdenverleden tijd meervoud — gebankierdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bankier | bankierde |
| jij | bankiert | bankierde |
| hij, zij, het | bankiert | bankierde |
| wij | bankieren | bankierden |
| jullie | bankieren | bankierden |
| zij | bankieren | bankierden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bankier | gebiedende wijs |
| bankierde | verleden tijd |
| bankiere | aanvoegende wijs |
| bankierend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebankierd | verleden tijd, deelwoord |
| gebankierd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebankierd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebankierd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebankierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebankierd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebankierd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebankierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebankierd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebankierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebankierd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebankierd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebankierd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebankierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebankierd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebankierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebankierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebankierd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bankieren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebankierd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bankieren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bankieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bankieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bankieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebankierd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebankierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebankierd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bankieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bankieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bankieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebankierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebankierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebankierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bankieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bankieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bankieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebankierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebankierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebankierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bankieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebankierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bankieren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bankieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bankieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bankieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebankierd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebankierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebankierd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bankieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebankierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van bankier met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van bankieren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bankierde | verleden tijd | bankieren |
| bankierden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bankieren |
| bankiere | aanvoegende wijs | bankieren |
| bankierend | onvoltooid deelwoord | bankieren |
| bankierende | woordvorm | bankieren |
| bankiert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bankieren |
| gebankierd | voltooid deelwoord | bankieren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bankieren zijn vastgelegd.