bakkeleien
werkwoordBetekenis
- ruzie maken, kibbelen
Vervoeging van bakkeleien
bakkeleienhele werkwoord — bakkeleideverleden tijd enkelvoud — bakkeleidenverleden tijd meervoud — gebakkeleidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bakkelei | bakkeleide |
| jij | bakkeleit | bakkeleide |
| hij, zij, het | bakkeleit | bakkeleide |
| wij | bakkeleien | bakkeleiden |
| jullie | bakkeleien | bakkeleiden |
| zij | bakkeleien | bakkeleiden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bakkelei | gebiedende wijs |
| bakkeleide | verleden tijd |
| bakkeleie | aanvoegende wijs |
| bakkeleiend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebakkeleid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebakkeleid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebakkeleid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebakkeleid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebakkeleid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebakkeleid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebakkeleid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebakkeleid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebakkeleid | verleden tijd, deelwoord |
| gebakkeleid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebakkeleid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebakkeleid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebakkeleid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebakkeleid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebakkeleid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebakkeleid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebakkeleid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebakkeleid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebakkeleid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebakkeleid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebakkeleid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebakkeleid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebakkeleid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebakkeleid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebakkeleid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebakkeleid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bakkeleien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebakkeleid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bakkeleien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bakkeleien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bakkeleien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bakkeleien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebakkeleid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebakkeleid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebakkeleid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bakkeleien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bakkeleien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bakkeleien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebakkeleid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebakkeleid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebakkeleid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bakkeleien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bakkeleien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bakkeleien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebakkeleid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebakkeleid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebakkeleid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bakkeleien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebakkeleid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bakkeleien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bakkeleien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bakkeleien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bakkeleien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebakkeleid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebakkeleid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebakkeleid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bakkeleien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebakkeleid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Maleis, in de betekenis van ‘bekvechten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1715 , afkomstig van het Maleise woord berkelahi (twisten, vechten)
Woordfamilie van bakkeleien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bakkelei | gebiedende wijs | bakkeleien |
| bakkeleide | verleden tijd | bakkeleien |
| bakkeleiden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bakkeleien |
| bakkeleie | aanvoegende wijs | bakkeleien |
| bakkeleiend | onvoltooid deelwoord | bakkeleien |
| bakkeleiende | woordvorm | bakkeleien |
| bakkeleit | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bakkeleien |
| gebakkeleid | voltooid deelwoord | bakkeleien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bakkeleien zijn vastgelegd.