baggeren
werkwoordBetekenis
- het uitdiepen van een vaargeul door het verwijderen van overtollig sediment van de bodem
werkwoord
- door de bagger lopen informal, unergative
Vervoeging van baggeren
baggerenhele werkwoord — baggerdeverleden tijd enkelvoud — baggerdenverleden tijd meervoud — gebaggerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bagger | baggerde |
| jij | baggert | baggerde |
| hij, zij, het | baggert | baggerde |
| wij | baggeren | baggerden |
| jullie | baggeren | baggerden |
| zij | baggeren | baggerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bagger | gebiedende wijs |
| baggerde | verleden tijd |
| baggere | aanvoegende wijs |
| baggerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebaggerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebaggerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebaggerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebaggerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebaggerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebaggerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebaggerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebaggerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebaggerd | verleden tijd, deelwoord |
| gebaggerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebaggerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebaggerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebaggerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebaggerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebaggerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebaggerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebaggerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebaggerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebaggerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebaggerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebaggerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebaggerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebaggerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebaggerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebaggerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebaggerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te baggeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebaggerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen baggeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal baggeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal baggeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal baggeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebaggerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebaggerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebaggerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou baggeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou baggeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou baggeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebaggerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebaggerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebaggerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden baggeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden baggeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden baggeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebaggerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebaggerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebaggerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt baggeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebaggerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen baggeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen baggeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen baggeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen baggeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebaggerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebaggerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebaggerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult baggeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebaggerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van bagger met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van baggeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| baggerde | verleden tijd | baggeren |
| baggerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | baggeren |
| baggere | aanvoegende wijs | baggeren |
| baggerend | onvoltooid deelwoord | baggeren |
| baggerende | woordvorm | baggeren |
| baggert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | baggeren |
| gebaggerd | voltooid deelwoord | baggeren |
| gebaggerde | woordvorm | baggeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van baggeren zijn vastgelegd.