badmintonnen
werkwoordBetekenis
- beoefenen van badminton
Vervoeging van badmintonnen
badmintonnenhele werkwoord — badmintondeverleden tijd enkelvoud — badmintondenverleden tijd meervoud — gebadmintondvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | badminton | badmintonde |
| jij | badmintont | badmintonde |
| hij, zij, het | badmintont | badmintonde |
| wij | badmintonnen | badmintonden |
| jullie | badmintonnen | badmintonden |
| zij | badmintonnen | badmintonden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| badminton | gebiedende wijs |
| badmintonde | verleden tijd |
| badmintonne | aanvoegende wijs |
| badmintonnend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebadmintond | verleden tijd, deelwoord |
| gebadmintond te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebadmintond zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebadmintond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebadmintond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebadmintond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebadmintond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebadmintond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebadmintond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebadmintond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebadmintond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebadmintond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebadmintond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebadmintond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebadmintond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebadmintond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebadmintond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebadmintond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te badmintonnen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebadmintond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen badmintonnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal badmintonnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal badmintonnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal badmintonnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebadmintond hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebadmintond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebadmintond hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou badmintonnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou badmintonnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou badmintonnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebadmintond hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebadmintond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebadmintond hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden badmintonnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden badmintonnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden badmintonnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebadmintond hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebadmintond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebadmintond hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt badmintonnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebadmintond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen badmintonnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen badmintonnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen badmintonnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen badmintonnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebadmintond hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebadmintond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebadmintond hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult badmintonnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebadmintond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van badminton met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van badmintonnen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| badmintonde | verleden tijd | badmintonnen |
| badmintonden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | badmintonnen |
| badmintonne | aanvoegende wijs | badmintonnen |
| badmintonnend | onvoltooid deelwoord | badmintonnen |
| badmintonnende | woordvorm | badmintonnen |
| badmintont | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | badmintonnen |
| gebadmintond | voltooid deelwoord | badmintonnen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van badmintonnen zijn vastgelegd.