avondmalen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- het avondmaal gebruiken
Vervoeging van avondmalen
avondmalenhele werkwoord — avondmaaldeverleden tijd enkelvoud — avondmaaldenverleden tijd meervoud — geavondmaaldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | avondmaal | avondmaalde |
| jij | avondmaalt | avondmaalde |
| hij, zij, het | avondmaalt | avondmaalde |
| wij | avondmalen | avondmaalden |
| jullie | avondmalen | avondmaalden |
| zij | avondmalen | avondmaalden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| avondmaal | gebiedende wijs |
| avondmaalde | verleden tijd |
| avondmale | aanvoegende wijs |
| avondmalend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geavondmaald | verleden tijd, deelwoord |
| geavondmaald te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geavondmaald zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geavondmaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geavondmaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geavondmaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geavondmaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geavondmaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geavondmaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geavondmaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geavondmaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geavondmaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geavondmaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geavondmaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geavondmaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geavondmaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geavondmaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geavondmaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te avondmalen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geavondmaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen avondmalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal avondmalen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal avondmalen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal avondmalen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geavondmaald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geavondmaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geavondmaald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou avondmalen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou avondmalen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou avondmalen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geavondmaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geavondmaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geavondmaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden avondmalen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden avondmalen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden avondmalen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geavondmaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geavondmaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geavondmaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt avondmalen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geavondmaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen avondmalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen avondmalen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen avondmalen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen avondmalen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geavondmaald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geavondmaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geavondmaald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult avondmalen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geavondmaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord avondmaal
Herkomst
samenstelling van avond en malen
Woordfamilie van avondmalen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| avondmaalde | verleden tijd | avondmalen |
| avondmaalden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | avondmalen |
| avondmaalt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | avondmalen |
| avondmale | aanvoegende wijs | avondmalen |
| avondmalend | onvoltooid deelwoord | avondmalen |
| avondmalende | woordvorm | avondmalen |
| geavondmaald | voltooid deelwoord | avondmalen |
| geavondmaalde | woordvorm | avondmalen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van avondmalen zijn vastgelegd.