ausculteren
werkwoordBetekenis
- (toe)luisteren
- luisteren naar de geluiden in het lichaam
werkwoord
- luisteren transitive
Vervoeging van ausculteren
ausculterenhele werkwoord — ausculteerdeverleden tijd enkelvoud — ausculteerdenverleden tijd meervoud — geausculteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ausculteer | ausculteerde |
| jij | ausculteert | ausculteerde |
| hij, zij, het | ausculteert | ausculteerde |
| wij | ausculteren | ausculteerden |
| jullie | ausculteren | ausculteerden |
| zij | ausculteren | ausculteerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ausculteer | gebiedende wijs |
| ausculteerde | verleden tijd |
| auscultere | aanvoegende wijs |
| ausculterend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geausculteerd | verleden tijd, deelwoord |
| geausculteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geausculteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geausculteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geausculteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geausculteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geausculteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geausculteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geausculteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geausculteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geausculteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geausculteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geausculteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geausculteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geausculteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geausculteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geausculteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geausculteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te ausculteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geausculteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ausculteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ausculteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ausculteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ausculteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geausculteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geausculteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geausculteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou ausculteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ausculteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ausculteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geausculteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geausculteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geausculteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ausculteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ausculteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ausculteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geausculteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geausculteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geausculteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ausculteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geausculteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ausculteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ausculteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ausculteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ausculteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geausculteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geausculteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geausculteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ausculteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geausculteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Naamwoord van handeling van het Franse ausculter (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van ausculteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ausculteer | gebiedende wijs | ausculteren |
| ausculteerde | verleden tijd | ausculteren |
| ausculteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ausculteren |
| ausculteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ausculteren |
| auscultere | aanvoegende wijs | ausculteren |
| ausculterend | onvoltooid deelwoord | ausculteren |
| ausculterende | woordvorm | ausculteren |
| geausculteerd | voltooid deelwoord | ausculteren |
| geausculteerde | woordvorm | ausculteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ausculteren zijn vastgelegd.