attractie
zelfstandig naamwoord ɑ'trɑksiBetekenis
- aantrekking
- datgene wat aantrekkingskracht uitoefent, aantrekkelijkheid, mogelijkheid tot vermaak, vermakelijkheid
- aantrekking of aantrekkingskracht
- zinsbouw op grond van betekenisassociatie, niet van grammaticaal verband
Hoe spreek je attractie uit?
/ɑˈtrɑksi/
Attractie bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| t | tak |
| r | rood |
| k | kat |
| s | sok |
| i | riet |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- iets wat aantrekkingskracht en/of een mogelijkheid tot vermaak uitoefent, vaak speciaal gericht op toeristen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| attracties | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘aantrekking(skracht)’ voor het eerst aangetroffen in 1568
Woordfamilie van attractie
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| attracties | meervoud | attractie |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van attractie zijn vastgelegd.