attesteren
werkwoordBetekenis
- met een attest bekrachtigen
Vervoeging van attesteren
attesterenhele werkwoord — attesteerdeverleden tijd enkelvoud — attesteerdenverleden tijd meervoud — geattesteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | attesteer | attesteerde |
| jij | attesteert | attesteerde |
| hij, zij, het | attesteert | attesteerde |
| wij | attesteren | attesteerden |
| jullie | attesteren | attesteerden |
| zij | attesteren | attesteerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| attesteer | gebiedende wijs |
| attesteerde | verleden tijd |
| attestere | aanvoegende wijs |
| attesterend | onvoltooid, deelwoord |
| ben geattesteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geattesteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geattesteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geattesteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geattesteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geattesteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geattesteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geattesteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geattesteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geattesteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geattesteerd | verleden tijd, deelwoord |
| geattesteerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geattesteerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geattesteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geattesteerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geattesteerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geattesteerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geattesteerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geattesteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geattesteerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geattesteerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geattesteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geattesteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geattesteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geattesteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geattesteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geattesteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geattesteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geattesteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geattesteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geattesteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geattesteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geattesteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geattesteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geattesteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geattesteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geattesteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geattesteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te attesteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geattesteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen attesteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geattesteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geattesteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geattesteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geattesteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geattesteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geattesteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geattesteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geattesteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geattesteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geattesteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geattesteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geattesteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geattesteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geattesteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geattesteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geattesteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geattesteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geattesteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geattesteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geattesteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal attesteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal attesteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal attesteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geattesteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geattesteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geattesteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geattesteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geattesteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geattesteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geattesteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geattesteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geattesteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geattesteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geattesteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou attesteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou attesteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou attesteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geattesteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geattesteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geattesteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geattesteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geattesteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geattesteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geattesteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geattesteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geattesteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden attesteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden attesteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden attesteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geattesteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geattesteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geattesteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geattesteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geattesteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geattesteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geattesteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geattesteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geattesteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt attesteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geattesteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geattesteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geattesteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen attesteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen attesteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen attesteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen attesteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geattesteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geattesteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geattesteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geattesteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geattesteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geattesteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geattesteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geattesteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geattesteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult attesteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geattesteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geattesteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geattesteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘getuigen’ voor het eerst aangetroffen in 1546
Woordfamilie van attesteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| attesteer | gebiedende wijs | attesteren |
| attesteerde | verleden tijd | attesteren |
| attesteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | attesteren |
| attesteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | attesteren |
| attestere | aanvoegende wijs | attesteren |
| attesterend | onvoltooid deelwoord | attesteren |
| attesterende | woordvorm | attesteren |
| geattesteerd | voltooid deelwoord | attesteren |
| geattesteerde | woordvorm | attesteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van attesteren zijn vastgelegd.