articuleren
werkwoordBetekenis
- de uitspraakklanken zorgvuldig vormen
Vervoeging van articuleren
articulerenhele werkwoord — articuleerdeverleden tijd enkelvoud — articuleerdenverleden tijd meervoud — gearticuleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | articuleer | articuleerde |
| jij | articuleert | articuleerde |
| hij, zij, het | articuleert | articuleerde |
| wij | articuleren | articuleerden |
| jullie | articuleren | articuleerden |
| zij | articuleren | articuleerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| articuleer | gebiedende wijs |
| articuleerde | verleden tijd |
| articulere | aanvoegende wijs |
| articulerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gearticuleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gearticuleerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gearticuleerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gearticuleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gearticuleerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gearticuleerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gearticuleerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gearticuleerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gearticuleerd | verleden tijd, deelwoord |
| gearticuleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gearticuleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gearticuleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gearticuleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gearticuleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gearticuleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gearticuleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gearticuleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gearticuleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gearticuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gearticuleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gearticuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gearticuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gearticuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gearticuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gearticuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gearticuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te articuleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gearticuleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen articuleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal articuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal articuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal articuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gearticuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gearticuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gearticuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou articuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou articuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou articuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gearticuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gearticuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gearticuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden articuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden articuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden articuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gearticuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gearticuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gearticuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt articuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gearticuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen articuleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen articuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen articuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen articuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gearticuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gearticuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gearticuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult articuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gearticuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘duidelijk uitspreken’ voor het eerst aangetroffen in 1568
Woordfamilie van articuleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| articuleer | gebiedende wijs | articuleren |
| articuleerde | verleden tijd | articuleren |
| articuleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | articuleren |
| articuleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | articuleren |
| articulere | aanvoegende wijs | articuleren |
| articulerend | onvoltooid deelwoord | articuleren |
| articulerende | woordvorm | articuleren |
| gearticuleerd | voltooid deelwoord | articuleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van articuleren zijn vastgelegd.