Naar de inhoud

articuleren

de uitspraakklanken zorgvuldig vormen

articuleren

werkwoord

Betekenis

  1. de uitspraakklanken zorgvuldig vormen

Vervoeging van articuleren

articulerenhele werkwoord — articuleerdeverleden tijd enkelvoud — articuleerdenverleden tijd meervoud — gearticuleerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik articuleer articuleerde
jij articuleert articuleerde
hij, zij, het articuleert articuleerde
wij articuleren articuleerden
jullie articuleren articuleerden
zij articuleren articuleerden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
articuleer gebiedende wijs
articuleerde verleden tijd
articulere aanvoegende wijs
articulerend onvoltooid, deelwoord
er is gearticuleerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gearticuleerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gearticuleerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gearticuleerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gearticuleerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gearticuleerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gearticuleerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gearticuleerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gearticuleerd verleden tijd, deelwoord
gearticuleerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gearticuleerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gearticuleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gearticuleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gearticuleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gearticuleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gearticuleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gearticuleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gearticuleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gearticuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gearticuleerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gearticuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gearticuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gearticuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gearticuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gearticuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gearticuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te articuleren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gearticuleerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen articuleren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal articuleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal articuleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal articuleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gearticuleerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gearticuleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gearticuleerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou articuleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou articuleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou articuleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gearticuleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gearticuleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gearticuleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden articuleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden articuleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden articuleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gearticuleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gearticuleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gearticuleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt articuleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gearticuleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen articuleren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen articuleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen articuleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen articuleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gearticuleerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gearticuleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gearticuleerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult articuleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gearticuleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘duidelijk uitspreken’ voor het eerst aangetroffen in 1568

Woordfamilie van articuleren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
articuleer gebiedende wijs articuleren
articuleerde verleden tijd articuleren
articuleerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon articuleren
articuleert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon articuleren
articulere aanvoegende wijs articuleren
articulerend onvoltooid deelwoord articuleren
articulerende woordvorm articuleren
gearticuleerd voltooid deelwoord articuleren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van articuleren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over articuleren

Wat is de betekenis van articuleren?
Articuleren is een werkwoord. De betekenis is: de uitspraakklanken zorgvuldig vormen.
Hoe vervoeg ik articuleren?
Zo vervoeg je articuleren zo: de tegenwoordige tijd is articuleer, de verleden tijd is articuleerde en het voltooid deelwoord is gearticuleerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord articuleren is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. R 2
  3. T 2
  4. I 1
  5. C 5
  6. U 4
  7. L 3
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

articuleren levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. R 2
  3. T 2
  4. I 2
  5. C 5
  6. U 2
  7. L 3
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 22 zonder bonus
  13. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

articuleren in het kort

articuleren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van articuleren staan er 40 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort articuleren bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

articuleren: de uitspraakklanken zorgvuldig vormen
Deel articuleren — standaardnederlands.nl