arriveren
werkwoord /ɑriveːrən/Betekenis
- de bestemming bereiken
Hoe spreek je arriveren uit?
/ɑriverən/
Arriveren bestaat uit vier lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| r | rood |
| i | riet |
| v | vis |
| e | veel |
| ə | de |
| n | nek |
Vervoeging van arriveren
arriverenhele werkwoord — arriveerdeverleden tijd enkelvoud — arriveerdenverleden tijd meervoud — gearriveerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | arriveer | arriveerde |
| jij | arriveert | arriveerde |
| hij, zij, het | arriveert | arriveerde |
| wij | arriveren | arriveerden |
| jullie | arriveren | arriveerden |
| zij | arriveren | arriveerden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| arriveer | gebiedende wijs |
| arriveerde | verleden tijd |
| arrivere | aanvoegende wijs |
| arriverend | onvoltooid, deelwoord |
| ben gearriveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gearriveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| gearriveerd | verleden tijd, deelwoord |
| gearriveerd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gearriveerd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gearriveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gearriveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te arriveren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gearriveerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen arriveren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gearriveerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gearriveerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gearriveerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gearriveerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gearriveerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gearriveerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gearriveerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal arriveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal arriveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal arriveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gearriveerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gearriveerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gearriveerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gearriveerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gearriveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gearriveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gearriveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gearriveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou arriveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou arriveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou arriveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gearriveerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gearriveerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gearriveerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden arriveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden arriveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden arriveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gearriveerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gearriveerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gearriveerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt arriveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gearriveerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen arriveren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen arriveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen arriveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen arriveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gearriveerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gearriveerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gearriveerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult arriveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gearriveerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
van Frans arriver ww (met het achtervoegsel -eren), in de betekenis van ‘aankomen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van arriveren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| arriveer | gebiedende wijs | arriveren |
| arriveerde | verleden tijd | arriveren |
| arriveerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | arriveren |
| arriveert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | arriveren |
| arrivere | aanvoegende wijs | arriveren |
| arriverend | onvoltooid deelwoord | arriveren |
| arriverende | woordvorm | arriveren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van arriveren zijn vastgelegd.