arceren
werkwoordBetekenis
- een vlak vullen met een stel fijne lijntjes op regelmatige afstanden evenwijdig aan elkaar
Vervoeging van arceren
arcerenhele werkwoord — arceerdeverleden tijd enkelvoud — arceerdenverleden tijd meervoud — gearceerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | arceer | arceerde |
| jij | arceert | arceerde |
| hij, zij, het | arceert | arceerde |
| wij | arceren | arceerden |
| jullie | arceren | arceerden |
| zij | arceren | arceerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| arceer | gebiedende wijs |
| arceerde | verleden tijd |
| arcere | aanvoegende wijs |
| arcerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gearceerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gearceerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gearceerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gearceerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gearceerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gearceerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gearceerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gearceerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gearceerd | verleden tijd, deelwoord |
| gearceerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gearceerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gearceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gearceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gearceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gearceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gearceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gearceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gearceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gearceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gearceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gearceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gearceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gearceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gearceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gearceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gearceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te arceren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gearceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen arceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal arceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal arceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal arceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gearceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gearceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gearceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou arceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou arceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou arceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gearceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gearceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gearceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden arceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden arceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden arceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gearceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gearceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gearceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt arceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gearceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen arceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen arceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen arceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen arceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gearceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gearceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gearceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult arceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gearceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘lijnen trekken’ voor het eerst aangetroffen in 1604
Woordfamilie van arceren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| arceer | gebiedende wijs | arceren |
| arceerde | verleden tijd | arceren |
| arceerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | arceren |
| arceert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | arceren |
| arcere | aanvoegende wijs | arceren |
| arcerend | onvoltooid deelwoord | arceren |
| arcerende | woordvorm | arceren |
| gearceerd | voltooid deelwoord | arceren |
| gearceerde | woordvorm | arceren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van arceren zijn vastgelegd.