appreteren
werkwoordBetekenis
- nader behandelen, afwerken, verstevigen
Vervoeging van appreteren
appreterenhele werkwoord — appreteerdeverleden tijd enkelvoud — appreteerdenverleden tijd meervoud — geappreteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | appreteer | appreteerde |
| jij | appreteert | appreteerde |
| hij, zij, het | appreteert | appreteerde |
| wij | appreteren | appreteerden |
| jullie | appreteren | appreteerden |
| zij | appreteren | appreteerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| appreteer | gebiedende wijs |
| appreteerde | verleden tijd |
| appretere | aanvoegende wijs |
| appreterend | onvoltooid, deelwoord |
| ben geappreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geappreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geappreteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geappreteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geappreteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geappreteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geappreteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geappreteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geappreteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geappreteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geappreteerd | verleden tijd, deelwoord |
| geappreteerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geappreteerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geappreteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geappreteerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geappreteerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geappreteerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geappreteerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geappreteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geappreteerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geappreteerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geappreteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geappreteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geappreteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geappreteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geappreteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geappreteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geappreteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geappreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geappreteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geappreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geappreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geappreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geappreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geappreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geappreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geappreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geappreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te appreteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geappreteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen appreteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geappreteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geappreteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geappreteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geappreteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geappreteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geappreteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geappreteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geappreteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geappreteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geappreteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geappreteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geappreteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geappreteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geappreteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geappreteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geappreteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geappreteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geappreteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geappreteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geappreteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal appreteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal appreteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal appreteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geappreteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geappreteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geappreteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geappreteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geappreteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geappreteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geappreteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geappreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geappreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geappreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geappreteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou appreteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou appreteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou appreteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geappreteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geappreteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geappreteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geappreteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geappreteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geappreteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geappreteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geappreteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geappreteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden appreteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden appreteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden appreteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geappreteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geappreteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geappreteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geappreteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geappreteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geappreteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geappreteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geappreteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geappreteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt appreteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geappreteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geappreteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geappreteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen appreteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen appreteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen appreteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen appreteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geappreteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geappreteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geappreteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geappreteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geappreteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geappreteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geappreteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geappreteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geappreteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult appreteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geappreteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geappreteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geappreteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse apprêter (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van appreteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| appreteer | gebiedende wijs | appreteren |
| appreteerde | verleden tijd | appreteren |
| appreteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | appreteren |
| appreteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | appreteren |
| appretere | aanvoegende wijs | appreteren |
| appreterend | onvoltooid deelwoord | appreteren |
| appreterende | woordvorm | appreteren |
| geappreteerd | voltooid deelwoord | appreteren |
| geappreteerde | woordvorm | appreteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van appreteren zijn vastgelegd.