Naar de inhoud

appliceren

toepassen, opbrengen

appliceren

werkwoord

Betekenis

  1. toepassen, opbrengen

Vervoeging van appliceren

applicerenhele werkwoord — appliceerdeverleden tijd enkelvoud — appliceerdenverleden tijd meervoud — geappliceerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik appliceer appliceerde
jij appliceert appliceerde
hij, zij, het appliceert appliceerde
wij appliceren appliceerden
jullie appliceren appliceerden
zij appliceren appliceerden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
appliceer gebiedende wijs
appliceerde verleden tijd
applicere aanvoegende wijs
applicerend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
geappliceerd verleden tijd, deelwoord
geappliceerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geappliceerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geappliceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geappliceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geappliceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geappliceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geappliceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geappliceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geappliceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geappliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geappliceerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geappliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geappliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geappliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geappliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geappliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geappliceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te appliceren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geappliceerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen appliceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal appliceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal appliceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal appliceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geappliceerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geappliceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geappliceerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou appliceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou appliceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou appliceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geappliceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geappliceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geappliceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden appliceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden appliceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden appliceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geappliceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geappliceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geappliceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt appliceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geappliceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen appliceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen appliceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen appliceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen appliceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geappliceerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geappliceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geappliceerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult appliceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geappliceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordfamilie van appliceren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
appliceer gebiedende wijs appliceren
appliceerde verleden tijd appliceren
appliceerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon appliceren
appliceert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon appliceren
applicere aanvoegende wijs appliceren
applicerend onvoltooid deelwoord appliceren
applicerende woordvorm appliceren
geappliceerd voltooid deelwoord appliceren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van appliceren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over appliceren

Wat is de betekenis van appliceren?
Appliceren is een werkwoord. De betekenis is: toepassen, opbrengen.
Hoe vervoeg ik appliceren?
Zo vervoeg je appliceren zo: de tegenwoordige tijd is appliceer, de verleden tijd is appliceerde en het voltooid deelwoord is geappliceerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord appliceren is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. P 3
  3. P 3
  4. L 3
  5. I 1
  6. C 5
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

appliceren levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 102 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. P 4
  3. P 4
  4. L 3
  5. I 2
  6. C 5
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 24 zonder bonus
  12. 102 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

appliceren in het kort

appliceren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van appliceren staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort appliceren bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

appliceren: toepassen, opbrengen
Deel appliceren — standaardnederlands.nl