anticiperen
werkwoordBetekenis
- vanuit een bepaalde verwachting handelen, vooruit kijken, vooruit regelen, vooruitlopen (op)
- voor iets anders plaatshebben
- het recht van anticipatie uitoefenen, prejudiciëren
- van tevoren beschikken over later inbare of vervallende bedragen
Vervoeging van anticiperen
anticiperenhele werkwoord — anticipeerdeverleden tijd enkelvoud — anticipeerdenverleden tijd meervoud — geanticipeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | anticipeer | anticipeerde |
| jij | anticipeert | anticipeerde |
| hij, zij, het | anticipeert | anticipeerde |
| wij | anticiperen | anticipeerden |
| jullie | anticiperen | anticipeerden |
| zij | anticiperen | anticipeerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| anticipeer | gebiedende wijs |
| anticipeerde | verleden tijd |
| anticipere | aanvoegende wijs |
| anticiperend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geanticipeerd | verleden tijd, deelwoord |
| geanticipeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geanticipeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geanticipeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geanticipeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geanticipeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geanticipeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geanticipeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geanticipeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geanticipeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geanticipeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geanticipeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geanticipeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geanticipeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geanticipeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geanticipeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geanticipeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geanticipeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te anticiperen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geanticipeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen anticiperen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal anticiperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal anticiperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal anticiperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geanticipeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geanticipeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geanticipeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou anticiperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou anticiperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou anticiperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geanticipeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geanticipeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geanticipeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden anticiperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden anticiperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden anticiperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geanticipeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geanticipeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geanticipeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt anticiperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geanticipeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen anticiperen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen anticiperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen anticiperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen anticiperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geanticipeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geanticipeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geanticipeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult anticiperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geanticipeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vooruitlopen op’ voor het eerst aangetroffen in 1784
Woordfamilie van anticiperen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| anticipeer | gebiedende wijs | anticiperen |
| anticipeerde | verleden tijd | anticiperen |
| anticipeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | anticiperen |
| anticipeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | anticiperen |
| anticipere | aanvoegende wijs | anticiperen |
| anticiperend | onvoltooid deelwoord | anticiperen |
| anticiperende | woordvorm | anticiperen |
| geanticipeerd | voltooid deelwoord | anticiperen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van anticiperen zijn vastgelegd.