Naar de inhoud

anticiperen

vanuit een bepaalde verwachting handelen, vooruit kijken, vooruit regelen, vooruitlopen (op)

anticiperen

werkwoord

Betekenis

  1. vanuit een bepaalde verwachting handelen, vooruit kijken, vooruit regelen, vooruitlopen (op)
  2. voor iets anders plaatshebben
  3. het recht van anticipatie uitoefenen, prejudiciëren
  4. van tevoren beschikken over later inbare of vervallende bedragen

Vervoeging van anticiperen

anticiperenhele werkwoord — anticipeerdeverleden tijd enkelvoud — anticipeerdenverleden tijd meervoud — geanticipeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik anticipeer anticipeerde
jij anticipeert anticipeerde
hij, zij, het anticipeert anticipeerde
wij anticiperen anticipeerden
jullie anticiperen anticipeerden
zij anticiperen anticipeerden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
anticipeer gebiedende wijs
anticipeerde verleden tijd
anticipere aanvoegende wijs
anticiperend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
geanticipeerd verleden tijd, deelwoord
geanticipeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geanticipeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geanticipeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geanticipeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geanticipeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geanticipeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geanticipeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geanticipeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geanticipeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geanticipeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geanticipeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geanticipeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geanticipeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geanticipeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geanticipeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geanticipeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geanticipeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te anticiperen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geanticipeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen anticiperen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal anticiperen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal anticiperen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal anticiperen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geanticipeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geanticipeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geanticipeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou anticiperen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou anticiperen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou anticiperen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geanticipeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geanticipeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geanticipeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden anticiperen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden anticiperen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden anticiperen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geanticipeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geanticipeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geanticipeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt anticiperen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geanticipeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen anticiperen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen anticiperen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen anticiperen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen anticiperen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geanticipeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geanticipeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geanticipeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult anticiperen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geanticipeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vooruitlopen op’ voor het eerst aangetroffen in 1784

Woordfamilie van anticiperen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
anticipeer gebiedende wijs anticiperen
anticipeerde verleden tijd anticiperen
anticipeerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon anticiperen
anticipeert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon anticiperen
anticipere aanvoegende wijs anticiperen
anticiperend onvoltooid deelwoord anticiperen
anticiperende woordvorm anticiperen
geanticipeerd voltooid deelwoord anticiperen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van anticiperen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over anticiperen

Wat is de betekenis van anticiperen?
Anticiperen is een werkwoord. De betekenis is: vanuit een bepaalde verwachting handelen, vooruit kijken, vooruit regelen, vooruitlopen (op). In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik anticiperen?
Zo vervoeg je anticiperen zo: de tegenwoordige tijd is anticipeer, de verleden tijd is anticipeerde en het voltooid deelwoord is geanticipeerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord anticiperen is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. I 1
  5. C 5
  6. I 1
  7. P 3
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

anticiperen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. I 2
  5. C 5
  6. I 2
  7. P 4
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 22 zonder bonus
  13. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

anticiperen in het kort

anticiperen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van anticiperen staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort anticiperen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

anticiperen: vanuit een bepaalde verwachting handelen, vooruit kijken, vooruit regelen, vooruitlopen (op)
Deel anticiperen — standaardnederlands.nl