annonceren
werkwoordBetekenis
- bekend maken
- voorlezen van de bestelbon in de keuken om misverstanden te voorkomen
- verkondigen
Vervoeging van annonceren
annoncerenhele werkwoord — annonceerdeverleden tijd enkelvoud — annonceerdenverleden tijd meervoud — geannonceerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | annonceer | annonceerde |
| jij | annonceert | annonceerde |
| hij, zij, het | annonceert | annonceerde |
| wij | annonceren | annonceerden |
| jullie | annonceren | annonceerden |
| zij | annonceren | annonceerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| annonceer | gebiedende wijs |
| annonceerde | verleden tijd |
| annoncere | aanvoegende wijs |
| annoncerend | onvoltooid, deelwoord |
| ben geannonceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geannonceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geannonceerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geannonceerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geannonceerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geannonceerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geannonceerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geannonceerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geannonceerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geannonceerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geannonceerd | verleden tijd, deelwoord |
| geannonceerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geannonceerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geannonceerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geannonceerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geannonceerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geannonceerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geannonceerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geannonceerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geannonceerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geannonceerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geannonceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geannonceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geannonceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geannonceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geannonceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geannonceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geannonceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geannonceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geannonceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geannonceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geannonceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geannonceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geannonceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geannonceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geannonceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geannonceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geannonceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te annonceren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geannonceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen annonceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geannonceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geannonceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geannonceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geannonceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geannonceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geannonceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geannonceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geannonceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geannonceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geannonceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geannonceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geannonceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geannonceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geannonceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geannonceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geannonceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geannonceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geannonceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geannonceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geannonceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal annonceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal annonceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal annonceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geannonceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geannonceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geannonceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geannonceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geannonceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geannonceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geannonceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geannonceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geannonceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geannonceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geannonceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou annonceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou annonceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou annonceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geannonceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geannonceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geannonceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geannonceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geannonceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geannonceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geannonceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geannonceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geannonceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden annonceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden annonceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden annonceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geannonceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geannonceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geannonceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geannonceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geannonceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geannonceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geannonceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geannonceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geannonceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt annonceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geannonceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geannonceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geannonceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen annonceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen annonceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen annonceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen annonceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geannonceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geannonceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geannonceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geannonceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geannonceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geannonceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geannonceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geannonceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geannonceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult annonceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geannonceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geannonceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geannonceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘aankondigen’ voor het eerst aangetroffen in 1669
Woordfamilie van annonceren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| annonceer | gebiedende wijs | annonceren |
| annonceerde | verleden tijd | annonceren |
| annonceerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | annonceren |
| annonceert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | annonceren |
| annoncere | aanvoegende wijs | annonceren |
| annoncerend | onvoltooid deelwoord | annonceren |
| annoncerende | woordvorm | annonceren |
| geannonceerd | voltooid deelwoord | annonceren |
| geannonceerde | woordvorm | annonceren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van annonceren zijn vastgelegd.