agenderen
werkwoordBetekenis
- op de agenda plaatsen
Vervoeging van agenderen
agenderenhele werkwoord — agendeerdeverleden tijd enkelvoud — agendeerdenverleden tijd meervoud — geagendeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | agendeer | agendeerde |
| jij | agendeert | agendeerde |
| hij, zij, het | agendeert | agendeerde |
| wij | agenderen | agendeerden |
| jullie | agenderen | agendeerden |
| zij | agenderen | agendeerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| agendeer | gebiedende wijs |
| agendeerde | verleden tijd |
| agendere | aanvoegende wijs |
| agenderend | onvoltooid, deelwoord |
| ben geagendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geagendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geagendeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geagendeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geagendeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geagendeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geagendeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geagendeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geagendeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geagendeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geagendeerd | verleden tijd, deelwoord |
| geagendeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geagendeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geagendeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geagendeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geagendeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geagendeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geagendeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geagendeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geagendeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geagendeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geagendeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geagendeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geagendeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geagendeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geagendeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geagendeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geagendeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geagendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geagendeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geagendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geagendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geagendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geagendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geagendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geagendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geagendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geagendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te agenderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geagendeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen agenderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geagendeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geagendeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geagendeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geagendeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geagendeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geagendeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geagendeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geagendeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geagendeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geagendeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geagendeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geagendeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geagendeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geagendeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geagendeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geagendeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geagendeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geagendeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geagendeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geagendeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal agenderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal agenderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal agenderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geagendeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geagendeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geagendeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geagendeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geagendeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geagendeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geagendeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geagendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geagendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geagendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geagendeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou agenderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou agenderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou agenderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geagendeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geagendeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geagendeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geagendeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geagendeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geagendeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geagendeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geagendeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geagendeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden agenderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden agenderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden agenderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geagendeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geagendeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geagendeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geagendeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geagendeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geagendeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geagendeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geagendeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geagendeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt agenderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geagendeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geagendeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geagendeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen agenderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen agenderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen agenderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen agenderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geagendeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geagendeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geagendeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geagendeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geagendeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geagendeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geagendeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geagendeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geagendeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult agenderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geagendeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geagendeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geagendeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘tot een agenda verenigen’ voor het eerst aangetroffen in 1880
Woordfamilie van agenderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| agendeer | gebiedende wijs | agenderen |
| agendeerde | verleden tijd | agenderen |
| agendeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | agenderen |
| agendeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | agenderen |
| agendere | aanvoegende wijs | agenderen |
| agenderend | onvoltooid deelwoord | agenderen |
| agenderende | woordvorm | agenderen |
| geagendeerd | voltooid deelwoord | agenderen |
| geagendeerde | woordvorm | agenderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van agenderen zijn vastgelegd.