agenda
zelfstandig naamwoord aˈɣɛndaBetekenis
- een notitieboek waarin afspraken genoteerd worden
- een lijst van te bespreken punten op een vergadering
- lijst van verplichtingen in het algemeen
- schoolagenda
- afdeling
- een lijst van verplichtingen
agenda in een zin
- Ze schreef de afspraak meteen in haar agenda.
- Dat punt stond helemaal onderaan de agenda.
- Mijn agenda zit deze week helemaal vol.
Let op: Het meervoud krijgt een apostrof: agenda's.
Hoe spreek je agenda uit?
/aˈxɛnda/
Agenda bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| x | acht |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| d | dak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| agenda's | meervoud |
| agendaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| agendaatjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘aantekenboek’ voor het eerst aangetroffen in 1769
Woordfamilie van agenda
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| agenda's | meervoud | agenda |
| agendaatje | verkleinwoord | agenda |
| agendaatjes | verkleinwoord meervoud | agenda |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van agenda zijn vastgelegd.