afzuigen
werkwoord /ˈɑf.zʌʏ.ɣə(n)/Betekenis
- door toepassing van zuiging of ventilatie een meestal gasvormige stof verwijderen
- een man oraal bevredigen
Hoe spreek je afzuigen uit?
/ˈɑfzʌʏxən/
Afzuigen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| z | zon |
| ʏ | put |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van afzuigen
afzuigenhele werkwoord — zoog afverleden tijd enkelvoud — zogen afverleden tijd meervoud — afgezogenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zuig af | zoog af |
| jij | zuigt af | zoog af |
| hij, zij, het | zuigt af | zoog af |
| wij | zuigen af | zogen af |
| jullie | zuigen af | zogen af |
| zij | zuigen af | zogen af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te zuigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen zuigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal zuigen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou zuigen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden zuigen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt zuigen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen zuigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen zuigen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult zuigen | bijzin, toekomende tijd |
| afgezogen | verleden tijd, deelwoord |
| afgezogen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgezogen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgezogen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgezogen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgezogen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgezogen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgezogen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgezogen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgezogen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgezogen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afzogen | bijzin, verleden tijd |
| afzoog | bijzin, verleden tijd |
| afzuig | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afzuigend | onvoltooid, deelwoord |
| afzuigt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben afgezogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgezogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgezogen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgezogen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgezogen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgezogen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgezogen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgezogen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgezogen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgezogen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgezogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgezogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgezogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgezogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgezogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgezogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgezogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgezogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgezogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgezogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgezogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgezogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgezogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgezogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgezogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgezogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgezogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgezogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afzuigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgezogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgezogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgezogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgezogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgezogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgezogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgezogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgezogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgezogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgezogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgezogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgezogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgezogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgezogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgezogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgezogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgezogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgezogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgezogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgezogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgezogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgezogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgezogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgezogen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgezogen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgezogen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgezogen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afzuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afzuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afzuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afzuigen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgezogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgezogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgezogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgezogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zoog af | verleden tijd |
| zou afgezogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgezogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgezogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgezogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgezogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgezogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgezogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgezogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgezogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afzuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afzuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afzuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afzuigen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afzuigen af zou(dt) zuigen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgezogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgezogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgezogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgezogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgezogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgezogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgezogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgezogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgezogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afzuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afzuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afzuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afzuigen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgezogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgezogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgezogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afzuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afzuigen | bijzin, voorwaardelijk |
| zuig af | gebiedende wijs |
| zullen afgezogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgezogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgezogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgezogen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgezogen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgezogen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgezogen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgezogen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgezogen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afzuigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afzuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afzuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afzuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afzuigen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgezogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en zuigen ww
Woordfamilie van afzuigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgezogen | voltooid deelwoord | afzuigen |
| afzogen | subordinate-clause, verleden tijd | afzuigen |
| afzoog | subordinate-clause, verleden tijd | afzuigen |
| afzuig | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afzuigen |
| afzuige | with-subordinate-clause | afzuigen |
| afzuigend | onvoltooid deelwoord | afzuigen |
| afzuigende | woordvorm | afzuigen |
| afzuigt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afzuigen |
| zogen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afzuigen |
| zoog af | verleden tijd | afzuigen |
| zuig af | gebiedende wijs | afzuigen |
| zuige af | woordvorm | afzuigen |
| zuigen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afzuigen |
| zuigt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afzuigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afzuigen zijn vastgelegd.