Naar de inhoud

afzeiken

belachelijk maken, op een onaangename manier voor schut zetten

afzeiken

werkwoord

Betekenis

  1. belachelijk maken, op een onaangename manier voor schut zetten

Vervoeging van afzeiken

afzeikenhele werkwoord — zeek afverleden tijd enkelvoud — zeikten afverleden tijd meervoud — afgezeiktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zeik af zeek af
jij zeikt af zeek af
hij, zij, het zeikt af zeek af
wij zeiken af zeikten af
jullie zeiken af zeikten af
zij zeiken af zeikten af
Alle 205 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te zeiken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen zeiken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal zeiken bijzin, toekomende tijd
af zou zeiken bijzin, voorwaardelijk
af zouden zeiken bijzin, voorwaardelijk
af zoudt zeiken bijzin, voorwaardelijk
af zullen zeiken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen zeiken bijzin, toekomende tijd
af zult zeiken bijzin, toekomende tijd
afgezeikt actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezeikt actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgezeikt infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezeikt infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgezeikt infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgezeikt infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgezeikt infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezeikt infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgezeikt infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgezeikt infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgezeikt verleden tijd, deelwoord
afgezeken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgezeken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgezeken impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
afgezeken impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
afgezeken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
afgezeken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
afgezeken verleden tijd, deelwoord
afgezeken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
afgezeken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
afgezeken voltooid, verleden tijd, derde persoon
afgezeken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
afgezeken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
afgezeken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
afgezeken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
afgezeken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
afgezeken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
afgezeken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
afgezeken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
afgezeken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
afgezeken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
afgezeken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
afgezeken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
afgezeken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
afgezeken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
afgezeken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
afgezeken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
afgezeken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
afgezeken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
afgezeken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
afgezeken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
afgezeken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
afgezeken te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgezeken te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgezeken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezeken te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezeken te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezeken worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
afgezeken worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
afgezeken worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgezeken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
afgezeken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
afgezeken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
afgezeken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
afgezeken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
afgezeken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
afgezeken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
afgezeken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
afgezeken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
afgezeken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
afgezeken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
afgezeken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
afgezeken zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
afgezeken zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
afgezeken zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgezeken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
afgezeken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
afgezeken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
afgezeken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
afgezeken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
afgezeken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
afgezeken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgezeken zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgezeken zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afzeek bijzin, verleden tijd
afzeekt, afzeiktet bijzin, verleden tijd
afzeik bijzin, tegenwoordige tijd
afzeikend onvoltooid, deelwoord
afzeikt bijzin, tegenwoordige tijd
afzeikte bijzin, verleden tijd
afzeikten bijzin, verleden tijd
afzeken bijzin, verleden tijd
ben afgezeikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bent afgezeikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgezeikt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgezeikt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgezeikt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgezeikt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgezeikt impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgezeikt impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgezeikt impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgezeikt impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgezeikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgezeikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgezeikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgezeikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgezeikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgezeikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgezeikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgezeikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgezeikt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgezeikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgezeikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgezeikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebt afgezeikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgezeikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgezeikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgezeikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgezeikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgezeikt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afzeiken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgezeikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgezeikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgezeikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgezeikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgezeikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgezeikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgezeikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgezeikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgezeikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgezeikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgezeikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgezeikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgezeikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgezeikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgezeikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgezeikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon

Herkomst

samenstelling van af en zeiken

Woordfamilie van afzeiken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgezeikt voltooid deelwoord afzeiken
afgezeikte woordvorm afzeiken
afgezeken active, infinitive, voltooid, tegenwoordige tijd, short-form afzeiken
afzeek subordinate-clause, verleden tijd afzeiken
afzeik subordinate-clause, tegenwoordige tijd afzeiken
afzeike with-subordinate-clause afzeiken
afzeikend onvoltooid deelwoord afzeiken
afzeikende woordvorm afzeiken
afzeikt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afzeiken
afzeikte subordinate-clause, verleden tijd afzeiken
afzeikten subordinate-clause, verleden tijd afzeiken
afzeken subordinate-clause, verleden tijd afzeiken
zeek af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 1e persoon afzeiken
zeik af gebiedende wijs afzeiken
zeike af woordvorm afzeiken
zeiken af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afzeiken
zeikt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afzeiken
zeikte af verleden tijd afzeiken
zeikten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afzeiken
zeken af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afzeiken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afzeiken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afzeiken

Wat betekent afzeiken?
Afzeiken is een werkwoord. Het woord betekent: belachelijk maken, op een onaangename manier voor schut zetten.
Hoe vervoeg je afzeiken?
Je vervoegt afzeiken als volgt: het voltooid deelwoord is afgezeikt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afzeiken is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. Z 4
  4. E 1
  5. I 1
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afzeiken levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. Z 5
  4. E 1
  5. I 2
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 zonder bonus
  10. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afzeiken in het kort

afzeiken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afzeiken zijn 87 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afzeiken bij een woordfamilie van 20 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afzeiken: belachelijk maken, op een onaangename manier voor schut zetten
Deel afzeiken — standaardnederlands.nl