afzeiken
werkwoordBetekenis
- belachelijk maken, op een onaangename manier voor schut zetten
Vervoeging van afzeiken
afzeikenhele werkwoord — zeek afverleden tijd enkelvoud — zeikten afverleden tijd meervoud — afgezeiktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zeik af | zeek af |
| jij | zeikt af | zeek af |
| hij, zij, het | zeikt af | zeek af |
| wij | zeiken af | zeikten af |
| jullie | zeiken af | zeikten af |
| zij | zeiken af | zeikten af |
Alle 205 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te zeiken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen zeiken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal zeiken | bijzin, toekomende tijd |
| af zou zeiken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden zeiken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt zeiken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen zeiken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen zeiken | bijzin, toekomende tijd |
| af zult zeiken | bijzin, toekomende tijd |
| afgezeikt | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgezeikt | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgezeikt | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgezeikt | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgezeikt | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgezeikt | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgezeikt | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgezeikt | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgezeikt | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgezeikt | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgezeikt | verleden tijd, deelwoord |
| afgezeken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgezeken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgezeken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| afgezeken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| afgezeken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| afgezeken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| afgezeken | verleden tijd, deelwoord |
| afgezeken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| afgezeken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| afgezeken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| afgezeken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| afgezeken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| afgezeken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| afgezeken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| afgezeken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| afgezeken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| afgezeken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| afgezeken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| afgezeken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| afgezeken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| afgezeken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| afgezeken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| afgezeken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| afgezeken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| afgezeken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| afgezeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| afgezeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| afgezeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| afgezeken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| afgezeken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| afgezeken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| afgezeken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgezeken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgezeken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgezeken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgezeken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgezeken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| afgezeken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| afgezeken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgezeken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| afgezeken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| afgezeken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| afgezeken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| afgezeken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| afgezeken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| afgezeken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| afgezeken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| afgezeken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| afgezeken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| afgezeken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| afgezeken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| afgezeken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| afgezeken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| afgezeken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgezeken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| afgezeken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| afgezeken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| afgezeken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| afgezeken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| afgezeken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| afgezeken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgezeken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgezeken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afzeek | bijzin, verleden tijd |
| afzeekt, afzeiktet | bijzin, verleden tijd |
| afzeik | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afzeikend | onvoltooid, deelwoord |
| afzeikt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afzeikte | bijzin, verleden tijd |
| afzeikten | bijzin, verleden tijd |
| afzeken | bijzin, verleden tijd |
| ben afgezeikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bent afgezeikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgezeikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgezeikt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgezeikt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgezeikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgezeikt | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgezeikt | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgezeikt | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgezeikt | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgezeikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgezeikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgezeikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgezeikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgezeikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgezeikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgezeikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgezeikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgezeikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgezeikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgezeikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgezeikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt afgezeikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgezeikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgezeikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgezeikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgezeikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgezeikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afzeiken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgezeikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgezeikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgezeikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgezeikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgezeikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgezeikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgezeikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgezeikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgezeikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgezeikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgezeikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgezeikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgezeikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgezeikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgezeikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgezeikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
samenstelling van af en zeiken
Woordfamilie van afzeiken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgezeikt | voltooid deelwoord | afzeiken |
| afgezeikte | woordvorm | afzeiken |
| afgezeken | active, infinitive, voltooid, tegenwoordige tijd, short-form | afzeiken |
| afzeek | subordinate-clause, verleden tijd | afzeiken |
| afzeik | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afzeiken |
| afzeike | with-subordinate-clause | afzeiken |
| afzeikend | onvoltooid deelwoord | afzeiken |
| afzeikende | woordvorm | afzeiken |
| afzeikt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afzeiken |
| afzeikte | subordinate-clause, verleden tijd | afzeiken |
| afzeikten | subordinate-clause, verleden tijd | afzeiken |
| afzeken | subordinate-clause, verleden tijd | afzeiken |
| zeek af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 1e persoon | afzeiken |
| zeik af | gebiedende wijs | afzeiken |
| zeike af | woordvorm | afzeiken |
| zeiken af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afzeiken |
| zeikt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afzeiken |
| zeikte af | verleden tijd | afzeiken |
| zeikten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afzeiken |
| zeken af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afzeiken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afzeiken zijn vastgelegd.