Naar de inhoud

afzeggen

aangeven dat men niet gaat komen

afzeggen

werkwoord

Betekenis

  1. aangeven dat men niet gaat komen
  2. ~ voor: aangeven dat men niet gaat komen

Vervoeging van afzeggen

afzeggenhele werkwoord — zegde afverleden tijd enkelvoud — zegden afverleden tijd meervoud — afgezegdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zeg af zegde af
jij zegt af zegde af
hij, zij, het zegt af zegde af
wij zeggen af zegden af
jullie zeggen af zegden af
zij zeggen af zegden af
Alle 85 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te zeggen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen zeggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal zeggen bijzin, toekomende tijd
af zou zeggen bijzin, voorwaardelijk
af zouden zeggen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt zeggen bijzin, voorwaardelijk
af zullen zeggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen zeggen bijzin, toekomende tijd
af zult zeggen bijzin, toekomende tijd
afgezegd verleden tijd, deelwoord
afgezegd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezegd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afzeg bijzin, tegenwoordige tijd
afzegde bijzin, verleden tijd
afzegden bijzin, verleden tijd
afzeggend onvoltooid, deelwoord
afzegt bijzin, tegenwoordige tijd
afzei bijzin, verleden tijd
afzeiden bijzin, verleden tijd
er is afgezegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgezegd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgezegd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgezegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgezegd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgezegd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgezegd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgezegd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgezegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgezegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgezegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgezegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgezegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgezegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgezegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgezegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgezegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgezegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgezegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgezegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgezegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgezegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgezegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgezegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afzeggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal afgezegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgezegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgezegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afzeggen bijzin, toekomende tijd
zeg af gebiedende wijs
zegde af verleden tijd
zei af verleden tijd
zou afgezegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgezegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgezegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afzeggen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afzeggen af zou(dt) zeggen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgezegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgezegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgezegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afzeggen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgezegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afzeggen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgezegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgezegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgezegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afzeggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afzeggen bijzin, toekomende tijd
zult afgezegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afzeggen bijzin, toekomende tijd
zult/zal afzeggen af zult/zal zeggen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af bw en zeggen ww

Woordfamilie van afzeggen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgezegd voltooid deelwoord afzeggen
afgezegde woordvorm afzeggen
afzeg subordinate-clause, tegenwoordige tijd afzeggen
afzegde subordinate-clause, verleden tijd afzeggen
afzegden subordinate-clause, verleden tijd afzeggen
afzegge with-subordinate-clause afzeggen
afzeggend onvoltooid deelwoord afzeggen
afzeggende woordvorm afzeggen
afzegt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afzeggen
afzei subordinate-clause, verleden tijd afzeggen
afzeiden subordinate-clause, verleden tijd afzeggen
zeg af gebiedende wijs afzeggen
zegde af verleden tijd afzeggen
zegden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afzeggen
zegge af woordvorm afzeggen
zeggen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afzeggen
zegt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afzeggen
zei af verleden tijd afzeggen
zeiden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afzeggen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afzeggen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afzeggen

Wat betekent afzeggen?
Afzeggen is een werkwoord. Het woord betekent: aangeven dat men niet gaat komen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je afzeggen?
Je vervoegt afzeggen als volgt: het voltooid deelwoord is afgezegd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afzeggen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. Z 4
  4. E 1
  5. G 3
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afzeggen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. Z 5
  4. E 1
  5. G 3
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 19 zonder bonus
  10. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afzeggen in het kort

afzeggen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van afzeggen zijn 57 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afzeggen bij een woordfamilie van 19 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afzeggen: aangeven dat men niet gaat komen
Deel afzeggen — standaardnederlands.nl