afzeggen
werkwoordBetekenis
- aangeven dat men niet gaat komen
- ~ voor: aangeven dat men niet gaat komen
Vervoeging van afzeggen
afzeggenhele werkwoord — zegde afverleden tijd enkelvoud — zegden afverleden tijd meervoud — afgezegdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zeg af | zegde af |
| jij | zegt af | zegde af |
| hij, zij, het | zegt af | zegde af |
| wij | zeggen af | zegden af |
| jullie | zeggen af | zegden af |
| zij | zeggen af | zegden af |
Alle 85 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te zeggen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen zeggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal zeggen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou zeggen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden zeggen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt zeggen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen zeggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen zeggen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult zeggen | bijzin, toekomende tijd |
| afgezegd | verleden tijd, deelwoord |
| afgezegd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgezegd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afzeg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afzegde | bijzin, verleden tijd |
| afzegden | bijzin, verleden tijd |
| afzeggend | onvoltooid, deelwoord |
| afzegt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afzei | bijzin, verleden tijd |
| afzeiden | bijzin, verleden tijd |
| er is afgezegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgezegd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgezegd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgezegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgezegd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgezegd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgezegd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgezegd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgezegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgezegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgezegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgezegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgezegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgezegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgezegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgezegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgezegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afzeggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal afgezegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgezegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgezegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afzeggen | bijzin, toekomende tijd |
| zeg af | gebiedende wijs |
| zegde af | verleden tijd |
| zei af | verleden tijd |
| zou afgezegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgezegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgezegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afzeggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afzeggen af zou(dt) zeggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgezegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgezegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgezegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afzeggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgezegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afzeggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgezegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgezegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgezegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afzeggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afzeggen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgezegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afzeggen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afzeggen af zult/zal zeggen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en zeggen ww
Woordfamilie van afzeggen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgezegd | voltooid deelwoord | afzeggen |
| afgezegde | woordvorm | afzeggen |
| afzeg | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afzeggen |
| afzegde | subordinate-clause, verleden tijd | afzeggen |
| afzegden | subordinate-clause, verleden tijd | afzeggen |
| afzegge | with-subordinate-clause | afzeggen |
| afzeggend | onvoltooid deelwoord | afzeggen |
| afzeggende | woordvorm | afzeggen |
| afzegt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afzeggen |
| afzei | subordinate-clause, verleden tijd | afzeggen |
| afzeiden | subordinate-clause, verleden tijd | afzeggen |
| zeg af | gebiedende wijs | afzeggen |
| zegde af | verleden tijd | afzeggen |
| zegden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afzeggen |
| zegge af | woordvorm | afzeggen |
| zeggen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afzeggen |
| zegt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afzeggen |
| zei af | verleden tijd | afzeggen |
| zeiden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afzeggen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afzeggen zijn vastgelegd.