Naar de inhoud

afzakken

naar beneden glijden

afzakken

werkwoord ˈɑfsɑkə(n)

Betekenis

  1. naar beneden glijden
  2. alcohol drinken

Hoe spreek je afzakken uit?

/ˈɑfsɑkən/

Afzakken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑfsɑkən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
s sok
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. sterke drank drinken ergative

Vervoeging van afzakken

afzakkenhele werkwoord — zakte afverleden tijd enkelvoud — zakten afverleden tijd meervoud — afgezaktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zak af zakte af
jij zakt af zakte af
hij, zij, het zakt af zakte af
wij zakken af zakten af
jullie zakken af zakten af
zij zakken af zakten af
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te zakken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen zakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal zakken bijzin, toekomende tijd
af zou zakken bijzin, voorwaardelijk
af zouden zakken bijzin, voorwaardelijk
af zoudt zakken bijzin, voorwaardelijk
af zullen zakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen zakken bijzin, toekomende tijd
af zult zakken bijzin, toekomende tijd
afgezakt verleden tijd, deelwoord
afgezakt te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezakt zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afzak bijzin, tegenwoordige tijd
afzakkend onvoltooid, deelwoord
afzakt bijzin, tegenwoordige tijd
afzakte bijzin, verleden tijd
afzakten bijzin, verleden tijd
ben afgezakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgezakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is afgezakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgezakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn afgezakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afzakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgezakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgezakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgezakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgezakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgezakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgezakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgezakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
zak af gebiedende wijs
zakte af verleden tijd
zal afgezakt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgezakt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgezakt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afzakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afzakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afzakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afzakken bijzin, toekomende tijd
zijn afgezakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn afgezakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgezakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgezakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgezakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgezakt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgezakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgezakt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afzakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afzakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afzakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afzakken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afzakken af zou(dt) zakken bijzin, voorwaardelijk
zouden afgezakt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgezakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgezakt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afzakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afzakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afzakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afzakken bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgezakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afzakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afzakken bijzin, voorwaardelijk
zullen afgezakt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgezakt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgezakt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afzakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afzakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afzakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afzakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afzakken bijzin, toekomende tijd
zult afgezakt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afzakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afzakken bijzin, toekomende tijd
zult/zal afzakken af zult/zal zakken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

[1] samenstelling van af bw en zakken ww

Woordfamilie van afzakken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgezakt voltooid deelwoord afzakken
afzak subordinate-clause, tegenwoordige tijd afzakken
afzakke with-subordinate-clause afzakken
afzakkend onvoltooid deelwoord afzakken
afzakkende woordvorm afzakken
afzakt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afzakken
afzakte subordinate-clause, verleden tijd afzakken
afzakten subordinate-clause, verleden tijd afzakken
zak af gebiedende wijs afzakken
zakke af woordvorm afzakken
zakken af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afzakken
zakt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afzakken
zakte af verleden tijd afzakken
zakten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afzakken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afzakken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afzakken

Hoe spreek ik afzakken uit?
Zo spreek je afzakken uit: /ˈɑfsɑkə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van afzakken?
Afzakken is een werkwoord. De betekenis is: naar beneden glijden. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afzakken?
Zo vervoeg je afzakken zo: het voltooid deelwoord is afgezakt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afzakken is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. Z 4
  4. A 1
  5. K 3
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afzakken levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. Z 5
  4. A 1
  5. K 3
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 19 zonder bonus
  10. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afzakken in het kort

afzakken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afzakken staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afzakken bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afzakken: naar beneden glijden
Deel afzakken — standaardnederlands.nl