afwerken
werkwoord ˈɑfwɛrkə(n)Betekenis
- de laatste en kleine details afmaken
- volledig bezoeken, bespreken of behandelen
- voltooien
Hoe spreek je afwerken uit?
/ˈɑfwɛrkən/
Afwerken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| w | quiz |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- een klant in de auto seksueel bedienen (zodat hij weer kan vertrekken) informal, vernacular
Vervoeging van afwerken
afwerkenhele werkwoord — werkte afverleden tijd enkelvoud — werkten afverleden tijd meervoud — afgewerktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | werk af | werkte af |
| jij | werkt af | werkte af |
| hij, zij, het | werkt af | werkte af |
| wij | werken af | werkten af |
| jullie | werken af | werkten af |
| zij | werken af | werkten af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te werken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen werken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal werken | bijzin, toekomende tijd |
| af zou werken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden werken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt werken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen werken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen werken | bijzin, toekomende tijd |
| af zult werken | bijzin, toekomende tijd |
| afgewerkt | verleden tijd, deelwoord |
| afgewerkt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgewerkt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgewerkt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgewerkt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgewerkt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgewerkt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgewerkt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgewerkt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgewerkt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgewerkt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afwerk | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afwerkend | onvoltooid, deelwoord |
| afwerkt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afwerkte | bijzin, verleden tijd |
| afwerkten | bijzin, verleden tijd |
| ben afgewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgewerkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgewerkt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgewerkt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgewerkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgewerkt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgewerkt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgewerkt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgewerkt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgewerkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgewerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgewerkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgewerkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgewerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgewerkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgewerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgewerkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgewerkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afwerken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgewerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgewerkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgewerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgewerkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgewerkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgewerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgewerkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgewerkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgewerkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgewerkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgewerkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgewerkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgewerkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgewerkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werk af | gebiedende wijs |
| werkte af | verleden tijd |
| word afgewerkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgewerkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgewerkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgewerkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgewerkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgewerkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgewerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgewerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgewerkt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgewerkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afwerken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgewerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgewerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgewerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgewerkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgewerkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgewerkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afwerken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afwerken af zou(dt) werken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgewerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgewerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgewerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgewerkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgewerkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgewerkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afwerken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgewerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgewerkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afwerken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgewerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgewerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgewerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgewerkt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgewerkt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgewerkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afwerken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afwerken | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en werken ww
Woordfamilie van afwerken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afwerk | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afwerken |
| afwerke | with-subordinate-clause | afwerken |
| afwerkend | onvoltooid deelwoord | afwerken |
| afwerkende | woordvorm | afwerken |
| afwerkt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afwerken |
| afwerkte | subordinate-clause, verleden tijd | afwerken |
| afwerkten | subordinate-clause, verleden tijd | afwerken |
| werk af | gebiedende wijs | afwerken |
| werke af | woordvorm | afwerken |
| werken af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afwerken |
| werkt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afwerken |
| werkte af | verleden tijd | afwerken |
| werkten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afwerken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afwerken zijn vastgelegd.