Naar de inhoud

afwerken

de laatste en kleine details afmaken

afwerken

werkwoord ˈɑfwɛrkə(n)

Betekenis

  1. de laatste en kleine details afmaken
  2. volledig bezoeken, bespreken of behandelen
  3. voltooien

Hoe spreek je afwerken uit?

/ˈɑfwɛrkən/

Afwerken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑfwɛrkən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
w quiz
ɛ bed
r rood
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. een klant in de auto seksueel bedienen (zodat hij weer kan vertrekken) informal, vernacular

Vervoeging van afwerken

afwerkenhele werkwoord — werkte afverleden tijd enkelvoud — werkten afverleden tijd meervoud — afgewerktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik werk af werkte af
jij werkt af werkte af
hij, zij, het werkt af werkte af
wij werken af werkten af
jullie werken af werkten af
zij werken af werkten af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te werken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen werken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal werken bijzin, toekomende tijd
af zou werken bijzin, voorwaardelijk
af zouden werken bijzin, voorwaardelijk
af zoudt werken bijzin, voorwaardelijk
af zullen werken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen werken bijzin, toekomende tijd
af zult werken bijzin, toekomende tijd
afgewerkt verleden tijd, deelwoord
afgewerkt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgewerkt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgewerkt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgewerkt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgewerkt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgewerkt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgewerkt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgewerkt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgewerkt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgewerkt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afwerk bijzin, tegenwoordige tijd
afwerkend onvoltooid, deelwoord
afwerkt bijzin, tegenwoordige tijd
afwerkte bijzin, verleden tijd
afwerkten bijzin, verleden tijd
ben afgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgewerkt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgewerkt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgewerkt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgewerkt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgewerkt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgewerkt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgewerkt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgewerkt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgewerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgewerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgewerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgewerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgewerkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgewerkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afwerken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgewerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgewerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgewerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgewerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgewerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgewerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgewerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgewerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgewerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgewerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgewerkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werk af gebiedende wijs
werkte af verleden tijd
word afgewerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgewerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgewerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgewerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgewerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgewerkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgewerkt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgewerkt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afwerken bijzin, toekomende tijd
zijn afgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgewerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgewerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgewerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afwerken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afwerken af zou(dt) werken bijzin, voorwaardelijk
zouden afgewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgewerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgewerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgewerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afwerken bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgewerkt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afwerken bijzin, voorwaardelijk
zullen afgewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgewerkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgewerkt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgewerkt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgewerkt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afwerken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afwerken bijzin, toekomende tijd
zult afgewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en werken ww

Woordfamilie van afwerken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afwerk subordinate-clause, tegenwoordige tijd afwerken
afwerke with-subordinate-clause afwerken
afwerkend onvoltooid deelwoord afwerken
afwerkende woordvorm afwerken
afwerkt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afwerken
afwerkte subordinate-clause, verleden tijd afwerken
afwerkten subordinate-clause, verleden tijd afwerken
werk af gebiedende wijs afwerken
werke af woordvorm afwerken
werken af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afwerken
werkt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afwerken
werkte af verleden tijd afwerken
werkten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afwerken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afwerken zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over afwerken

Hoe spreek ik afwerken uit?
Zo spreek je afwerken uit: /ˈɑfwɛrkə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van afwerken?
Afwerken is een werkwoord. De betekenis is: de laatste en kleine details afmaken. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afwerken?
Zo vervoeg je afwerken zo: het voltooid deelwoord is afgewerkt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afwerken is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. W 5
  4. E 1
  5. R 2
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afwerken levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. W 5
  4. E 1
  5. R 2
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 zonder bonus
  10. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afwerken in het kort

afwerken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afwerken staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afwerken bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afwerken: de laatste en kleine details afmaken
Deel afwerken — standaardnederlands.nl