Naar de inhoud

afwennen

een gewoonte opgeven

afwennen

werkwoord

Betekenis

  1. een gewoonte opgeven

Vervoeging van afwennen

afwennenhele werkwoord — wende afverleden tijd enkelvoud — wenden afverleden tijd meervoud — afgewendvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik wen af wende af
jij went af wende af
hij, zij, het went af wende af
wij wennen af wenden af
jullie wennen af wenden af
zij wennen af wenden af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te wennen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen wennen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal wennen bijzin, toekomende tijd
af zou wennen bijzin, voorwaardelijk
af zouden wennen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt wennen bijzin, voorwaardelijk
af zullen wennen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen wennen bijzin, toekomende tijd
af zult wennen bijzin, toekomende tijd
afgewend verleden tijd, deelwoord
afgewend te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgewend te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgewend te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgewend te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgewend te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgewend worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgewend zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgewend zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgewend zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgewend zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afwen bijzin, tegenwoordige tijd
afwende bijzin, verleden tijd
afwenden bijzin, verleden tijd
afwennend onvoltooid, deelwoord
afwent bijzin, tegenwoordige tijd
ben afgewend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgewend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgewend impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgewend impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgewend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgewend worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgewend zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgewend worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgewend zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgewend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgewend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgewend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgewend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgewend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgewend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgewend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgewend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgewend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgewend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgewend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afwennen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgewend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgewend voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgewend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgewend voltooid, verleden tijd, derde persoon
wen af gebiedende wijs
wende af verleden tijd
werd afgewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgewend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgewend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgewend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgewend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgewend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgewend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgewend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afwennen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afwennen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afwennen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afwennen bijzin, toekomende tijd
zijn afgewend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgewend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgewend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgewend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgewend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgewend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgewend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgewend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afwennen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afwennen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afwennen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afwennen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afwennen af zou(dt) wennen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgewend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgewend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgewend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgewend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgewend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgewend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afwennen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afwennen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afwennen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afwennen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgewend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgewend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afwennen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afwennen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgewend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgewend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgewend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgewend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgewend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgewend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgewend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgewend zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgewend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afwennen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afwennen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afwennen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afwennen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afwennen bijzin, toekomende tijd
zult afgewend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af en wennen

Woordfamilie van afwennen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afwen subordinate-clause, tegenwoordige tijd afwennen
afwenne with-subordinate-clause afwennen
afwennend onvoltooid deelwoord afwennen
afwennende woordvorm afwennen
afwent subordinate-clause, tegenwoordige tijd afwennen
wen af gebiedende wijs afwennen
wenne af woordvorm afwennen
wennen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afwennen
went af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afwennen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afwennen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over afwennen

Wat betekent afwennen?
Afwennen is een werkwoord. Het woord betekent: een gewoonte opgeven.
Hoe vervoeg je afwennen?
Je vervoegt afwennen als volgt: het voltooid deelwoord is afgewend. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afwennen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. W 5
  4. E 1
  5. N 1
  6. N 1
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afwennen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. W 5
  4. E 1
  5. N 1
  6. N 1
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afwennen in het kort

afwennen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afwennen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afwennen bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afwennen: een gewoonte opgeven
Deel afwennen — standaardnederlands.nl