Naar de inhoud

afleren

leren iets niet langer te doen of een fout in het geleerde te verbeteren

afleren

werkwoord

Betekenis

  1. leren iets niet langer te doen of een fout in het geleerde te verbeteren

Vervoeging van afleren

aflerenhele werkwoord — leerde afverleden tijd enkelvoud — leerden afverleden tijd meervoud — afgeleerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik leer af leerde af
jij leert af leerde af
hij, zij, het leert af leerde af
wij leren af leerden af
jullie leren af leerden af
zij leren af leerden af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te leren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen leren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal leren bijzin, toekomende tijd
af zou leren bijzin, voorwaardelijk
af zouden leren bijzin, voorwaardelijk
af zoudt leren bijzin, voorwaardelijk
af zullen leren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen leren bijzin, toekomende tijd
af zult leren bijzin, toekomende tijd
afgeleerd verleden tijd, deelwoord
afgeleerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeleerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeleerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeleerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeleerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeleerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeleerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeleerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeleerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeleerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afleer bijzin, tegenwoordige tijd
afleerde bijzin, verleden tijd
afleerden bijzin, verleden tijd
afleert bijzin, tegenwoordige tijd
aflerend onvoltooid, deelwoord
ben afgeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgeleerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgeleerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgeleerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgeleerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgeleerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgeleerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgeleerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgeleerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgeleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgeleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgeleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgeleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgeleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgeleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgeleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeleerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
leer af gebiedende wijs
leerde af verleden tijd
te hebben afgeleerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afleren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgeleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgeleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgeleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgeleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgeleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgeleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgeleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgeleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgeleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgeleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgeleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgeleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgeleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgeleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgeleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgeleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgeleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgeleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgeleerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgeleerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgeleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgeleerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeleerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afleren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afleren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afleren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afleren bijzin, toekomende tijd
zijn afgeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgeleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgeleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgeleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgeleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afleren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afleren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afleren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afleren bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afleren af zou(dt) leren bijzin, voorwaardelijk
zouden afgeleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgeleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgeleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afleren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afleren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afleren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afleren bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgeleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afleren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afleren bijzin, voorwaardelijk
zullen afgeleerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeleerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgeleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgeleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeleerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeleerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeleerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afleren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afleren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afleren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afleren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afleren bijzin, toekomende tijd
zult afgeleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en leren ww

Woordfamilie van afleren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgeleerd voltooid deelwoord afleren
afgeleerde woordvorm afleren
afleer subordinate-clause, tegenwoordige tijd afleren
afleerde subordinate-clause, verleden tijd afleren
afleerden subordinate-clause, verleden tijd afleren
afleert subordinate-clause, tegenwoordige tijd afleren
aflere with-subordinate-clause afleren
aflerend onvoltooid deelwoord afleren
aflerende woordvorm afleren
leer af gebiedende wijs afleren
leerde af verleden tijd afleren
leerden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afleren
leert af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afleren
lere af woordvorm afleren
leren af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afleren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afleren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afleren

Wat betekent afleren?
Afleren is een werkwoord. Het woord betekent: leren iets niet langer te doen of een fout in het geleerde te verbeteren.
Hoe vervoeg je afleren?
Je vervoegt afleren als volgt: het voltooid deelwoord is afgeleerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afleren is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. L 3
  4. E 1
  5. R 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afleren levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 103 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. L 3
  4. E 1
  5. R 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 zonder bonus
  9. 103 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

afleren telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

afleren in het kort

afleren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afleren zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afleren bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afleren: leren iets niet langer te doen of een fout in het geleerde te verbeteren
Deel afleren — standaardnederlands.nl