afwassen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɑfwɑsə(n)Betekenis
- het schoonmaken van de vaat, zoals, messen, vorken, lepels, borden
- ~ van iets ergens van af wassen
Hoe spreek je afwassen uit?
/ˈɑfwɑsən/
Afwassen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| w | quiz |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van afwassen
afwassenhele werkwoord — waste afverleden tijd enkelvoud — wasten afverleden tijd meervoud — afgewassenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | was af | waste af |
| jij | wast af | waste af |
| hij, zij, het | wast af | waste af |
| wij | wassen af | wasten af |
| jullie | wassen af | wasten af |
| zij | wassen af | wasten af |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te wassen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen wassen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal wassen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou wassen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden wassen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt wassen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen wassen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen wassen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult wassen | bijzin, toekomende tijd |
| afgewassen | verleden tijd, deelwoord |
| afgewassen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgewassen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afwas | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afwassend | onvoltooid, deelwoord |
| afwast | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afwaste | bijzin, verleden tijd |
| afwasten | bijzin, verleden tijd |
| er is afgewassen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgewassen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgewassen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgewassen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgewassen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgewassen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgewassen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgewassen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgewassen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgewassen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgewassen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgewassen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgewassen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgewassen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgewassen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgewassen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgewassen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afwassen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| was af | gebiedende wijs |
| waste af | verleden tijd |
| zal afgewassen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgewassen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgewassen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afwassen | bijzin, toekomende tijd |
| zou afgewassen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgewassen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgewassen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afwassen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afwassen af zou(dt) wassen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgewassen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgewassen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgewassen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afwassen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgewassen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afwassen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgewassen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgewassen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgewassen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afwassen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afwassen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgewassen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afwassen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afwassen af zult/zal wassen | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord afwas
Herkomst
samenstelling van af en wassen
Woordfamilie van afwassen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgewassen | voltooid deelwoord | afwassen |
| afwasse | with-subordinate-clause | afwassen |
| afwassend | onvoltooid deelwoord | afwassen |
| afwassende | woordvorm | afwassen |
| afwast | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afwassen |
| afwaste | subordinate-clause, verleden tijd | afwassen |
| afwasten | subordinate-clause, verleden tijd | afwassen |
| was af | gebiedende wijs | afwassen |
| wasse af | woordvorm | afwassen |
| wassen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afwassen |
| wast af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afwassen |
| waste af | verleden tijd | afwassen |
| wasten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afwassen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afwassen zijn vastgelegd.