afwaaien
werkwoord ˈɑfwajə(n)Betekenis
- vallen door een snelle luchtstroom; afbreken door een snelle luchtstroom; verwijderd worden door een snelle luchtstroom
Hoe spreek je afwaaien uit?
/ˈɑfwajən/
Afwaaien bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| w | quiz |
| a | maan |
| j | ja |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van afwaaien
afwaaienhele werkwoord — waaide afverleden tijd enkelvoud — waaiden afverleden tijd meervoud — afgewaaidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | waai af | waaide af |
| jij | waait af | waaide af |
| hij, zij, het | waait af | waaide af |
| wij | waaien af | waaiden af |
| jullie | waaien af | waaiden af |
| zij | waaien af | waaiden af |
Alle 78 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te waaien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen waaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal waaien | bijzin, toekomende tijd |
| af zou waaien | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden waaien | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt waaien | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen waaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen waaien | bijzin, toekomende tijd |
| af zult waaien | bijzin, toekomende tijd |
| afgewaaid | verleden tijd, deelwoord |
| afgewaaid te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgewaaid zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afwaai | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afwaaide | bijzin, verleden tijd |
| afwaaiden | bijzin, verleden tijd |
| afwaaiend | onvoltooid, deelwoord |
| afwaait | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afwoei | bijzin, verleden tijd |
| afwoeien | bijzin, verleden tijd |
| ben afgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is afgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn afgewaaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afwaaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waai af | gebiedende wijs |
| waaide af | verleden tijd |
| waart afgewaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgewaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgewaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgewaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgewaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgewaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgewaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| woei af | verleden tijd |
| zal afgewaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgewaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgewaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afwaaien | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgewaaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn afgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgewaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgewaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgewaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afwaaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afwaaien af zou(dt) waaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgewaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgewaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgewaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afwaaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgewaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afwaaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgewaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgewaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgewaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afwaaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afwaaien | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgewaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afwaaien | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afwaaien af zult/zal waaien | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en waaien ww
Woordfamilie van afwaaien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgewaaid | voltooid deelwoord | afwaaien |
| afgewaaide | woordvorm | afwaaien |
| afwaai | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afwaaien |
| afwaaide | subordinate-clause, verleden tijd | afwaaien |
| afwaaiden | subordinate-clause, verleden tijd | afwaaien |
| afwaaie | with-subordinate-clause | afwaaien |
| afwaaiend | onvoltooid deelwoord | afwaaien |
| afwaaiende | woordvorm | afwaaien |
| afwaait | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afwaaien |
| afwoei | subordinate-clause, verleden tijd | afwaaien |
| afwoeien | subordinate-clause, verleden tijd | afwaaien |
| waai af | gebiedende wijs | afwaaien |
| waaide af | verleden tijd | afwaaien |
| waaiden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afwaaien |
| waaie af | woordvorm | afwaaien |
| waaien af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afwaaien |
| waait af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afwaaien |
| woei af | verleden tijd | afwaaien |
| woeien af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afwaaien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afwaaien zijn vastgelegd.